De vechter



De palmboom laat zijn grote bladeren schitteren in de volle zon. De kokosnoten hangen trots naar voren.

In de verte hoor je de zee klotsen op het gele strand.

Dicht aanwezig bij de bordeaux rode kamer. In hele romantische sferen in een hotel ver van huis. De benen verstrengelt in elkaar. Liefdevol strelen over elkaars tedere lichaam. De lippen tegen elkaar.

Waar de tongen met elkaar passioneel dansen. Ligt gekreun komt af en toe vrij. En deze zalige momenten die je voor eeuwig zal willen laten duren. Als in dit dampende liefdesspel de lichamen langzaam tot één smelten. Komt als pracht het hoogtepunt op dit kroonwerk. Blijft liefde de vorm stil ontplooien. Ook als weer terugkomen in het natte koude Nederland. In lichaam houd zich een wonder waar. Van een vorm die een mens niet kan verklaren. Een samensmelting van het mannelijk en het vrouwelijk in één. Komt uit in een prachtig begin. Waar de twee geliefden hun blijdschap innig blijven delen. Trots op het gene wat binnen in de baarmoeder groeit. Al mogen de eerste maanden spannend zijn. Elke dag in glimmende zon. Die op het leven van deze twee schijnt.



Tot opeens donkere wolken het licht belemmert. Niet de vrucht heeft te lijden. Het doet het juist heel goed. Nee, bij de aanstaande vader wordt een ernstige ziekte ontdekt. Een smet op het eens zo uitbundige stel. Die samen uitkijken naar hun wonder. De palmbomen vervagen bij de akelige bezoeken in het ziekenhuis. Waar de diagnose niet de stemming weet op te beuren. De gezichten langzaam met tranen worden in gekleurd. Omdat ze totaal niet weten wat er nu staat te gebeuren. De kans met een verlies en een geboorte op komst maakt de rede toch erg dubbel.

Vooral de aanstaande vader begint zijn geloof in het goede steeds meer te verliezen. Terug getrokken in de negatieve lijn naar beneden. Weet de aanstaande moeder met al haar prikkels ook niet meer welke weg te doorgronden. De liefde is nog even groot. Maar de machteloosheid is even hard. Telkens probeert zij hem nog moed te geven. Maar als uitslagen in het ziekenhuis een ander beeld geven is het verdomd moeilijk om die waarheid te geloven.

Als hij besluit zich er bij neer te leggen. Lijkt er een verval te komen. In het eens zo gelukkige paar. De vrucht groeit nog. Maar zal het uiteindelijk dan ooit zijn vader zien.



In de strijd om het verdriet. Kan zij het niet accepteren dat hij van haar wordt afgenomen. Haar tranen zijn niet te drogen. Het had zo anders moeten zijn. Deze pijn hadden zij toch niet verdiend. Zijn houding in het opgeven maakt het leed niet zachter. Hem niet meer als een vechter te zien. Maar opgegeven aan de diagnose ’s die telkens worden gesteld. Maakt het ondraaglijk gevoel om straks een kind te krijgen, maar je lieve man te hebben verloren. Dit is niet de keuze die je wilt maken. Ze wil wel schreeuwen, tegen de deur trappen. Het liefst zou ze hem een douw geven. Dat er toch nog iets kwam. Van een gevecht. Moedeloos steekt ze het hoofd onder het kussen. Wat kun je je dan verdomd alleen voelen. Ondanks dat ze hem begrijpt. Maar het grootste gevoel roept: “Ik wil je niet kwijt. Ik houd nog zielsveel van jouw. Ik kan het toch niet zonder jouw. Waarom, waarom, zal je me alleen laten. Het mag toch niet.” Dikke tranen vallen op het kussen. Een gevoel van eenzaamheid trekt om het hart. Even zie je een blik, alleen zonder hem. Dan vervalt ze in haar tranen.



’s Nachts ligt zij te slapen. Hij is wakker. Rare beelden over hoe het zal zijn. Als het leven hem verlaat.

Het onwerkelijke wat nu zo dichtbij staat. Eigenlijk is het raar, want hoe dichter je erbij komt, hoe vager alles is. Opeens hoort hij een stem. “Waarom geef jij het al op”. Verbaasd kijkt hij in het rond. Niemand is hier. Zij ligt ook te slapen. Ach ik heb het gedroomd. Maar net als hij zijn rug wil omdraaien. Klinkt de stem weer door de kamer. “Waarom wil je opgeven?!.” Hij draait zich met een ruk om. “Wie zegt daar wat. Is daar iemand.” Hij kijkt in het donker wild door de kamer. Maar er beweegt niets. Geen schim. Het licht doet hij nog niet aan, ondanks dat hij duidelijk nu de stem hoorde. Wil hij zijn vrouw niet wakker maken. Dan spreekt de stem.” Ik ben er wel, maar nog niet helemaal. Ik ben het resultaat van de liefde tussen mamma en jij, mijn papa. Je zal normaliteit niet kunnen spreken met mij. Maar toch kan ik tot jouw spreken. In woorden die jij begrijpt.”

Nu heeft hij echt het idee dat hij droomt. Dit is niet waar. Hij knijpt zich in zijn arm. “Auw, dat doet zeer.” Dat is duidelijk, hij slaapt niet. Het is wel heel onwerkelijk dat het ongeborene begint te praten tegen hem. “Wat wil je me zeggen dan”, zegt hij verdwaasd. “Jij bepaalt mijn leven” gaat de stem dan door. “Ik word door het gene wat jij bent. Ben jij een opgever, dan zal mijn toekomst niet anders zijn. Kijk naar hoe ik word”. Opeens schijnt een licht op de kamer. Nu knippert hij met zijn ogen. Bij de deur staat een slonzige geklede, slecht uitziende jonge man. Met geen doel in zijn ogen. “Wie is dat” reageert hij verschrikt. “Dat ben ik, als je opgeeft. Ik ben een armzalige jongen zonder toekomst. Ik heb alles opgegeven, omdat ik geen vechter ben, net als mijn vader, die ik nooit gekend heb.” “Maar ik wil niet een zoon die geen toekomst weet op te bouwen.” Reageert hij, ”Natuurlijk moet hij vechten om dingen te kunnen bereiken, dat deed ik ook altijd.” Er valt even een diepe stilte. Dan spreekt de stem. “Waarom vecht je nu niet dan? Je laat helemaal geen vechtersmentaliteit zien. Je geeft op voor de strijd is gestreden. Ondanks dat je je zoon nog nooit hebt gezien.

Als jij sterker zou zijn, zou je niet bij de pakken neer zitten. Het leven oppakken, nu het nog kan. Ondanks de vernietigende ziekte die in je huist. Is het nog niet te laat om alles zomaar op te geven. Weer verlicht de kamer. Nu staat er een nette jonge man met toekomst en licht in zijn ogen. “Dit ben ik als je me je kracht laat zien. Een vechter, die niet opgeeft. Iets van zijn toekomst maakt. De stormen weet te verslaan. Dat heeft hij aan zijn vader te danken. Want die heeft hem geleerd om door te gaan. Ook als de weg niet meer begaanbaar was. Elke keer moet ik rotsen beklimmen. Maar sterker kom ik boven. Omdat ik durf te geloven.”



Nu slaat hij zijn ogen naar beneden. Ja, het ongeboren kind heeft gelijk. Hij heeft de boel te snel opgegeven. De diagnose ’s in het ziekenhuis bepaalde zijn inzicht. Alles lijkt verloren. Maar hij is degene die de strijd moet voeren. Al zal het alleen zijn voor zijn vrouw en ongeboren kind. Al zal het alleen zijn om nog een poosje langer bij hun te mogen zijn. Zij moeten zien dat hij van hun houdt, voor hen wil strijden. Hoe zwart de lucht ook mag zijn. Zo zal zijn vrouw de liefde weer voelen, omdat hij niet opgeeft. Maar naast haar blijft staan. Hoe moeilijk het ook mag worden. Ze kan altijd zeggen: “Pappa was een echte kanjer, hij liet zich niet te neer slaan, maar hij vocht voor het geen wat hij had. Hoe onmogelijk onze weg ook was. Hij gaf niet op.” “Houdt dat vast”, zegt de stem. Die zijn gedachten dus ook kan lezen. “Dat zal ik doen”, belooft hij. Dan valt hij in een diepe slaap. Om ’s morgens vroeg wakker te worden.

Ondanks de pijn die hij voelt. Merkt hij dat er iets in zijn gedachten veranderd is. Hij kijkt op en ziet de pracht van zijn lieve vrouw. Die nog in dromen is verwikkeld. Hij besluit om zijn zere lijf uit bed te drukken. Om voor haar een heerlijk ontbijtje te maken. Iets wat hij allang niet meer heeft gedaan. De woorden van vannacht klinken nog door in zijn hoofd, voorzichtig gaat hij naar beneden. Daar gaat hij bezig met een broodje smeren, drinken pakken. Al doet hij het niet uitgebreid, omdat zijn lichaam toch tegenwerkt. Gaat hij door om iets moois neer te zetten. Vervolgens loopt hij voorzichtig weer naar boven. De slaapkamer in. Waar hij haar wakker maakt. Ze kijkt verbaasd op. Dan verschijnt er een lach op haar gezicht. “Wat heb jij nou?” “Een ontbijtje voor jouw” antwoordt hij teder. Ze kijkt hem vol bewondering aan. “Je ogen staan totaal anders,” merkt ze op. “Ik zie een vonkel die ik al een tijd lang niet meer zag, wat is er gebeurd?” Hij lacht, “laten we het er maar op houden dat we een bijzonder kind krijgen. Dat ik daar hoe ik me ook voel voor wil gaan.” Tranen schieten in haar ogen. Liefdevol neemt ze hem in de armen. “Hier heb ik zolang op gewacht.” De golven van blijdschap vervullen het jonge stel opnieuw. Kracht stroomt er op een nieuwe manier in zijn aders. In zijn beeld bestaat weer een nieuwe zin van bestaan. Hoe had hij zelf die deur dicht kunnen doen? Nu innerlijke vorm van liefde zijn ogen hebben geopend.



De tijd gaat door. De zee van vertrouwen met de golven van doorzetten drijft de twee naar de dag van het wonder. De toekomst komt dag per dag. Waar de troon van houden van, troont in hun harten. Elkaars handen in elkaar verstrengelt, dicht bij het hart. Heeft de diepzinnige liefde zijn weg gevonden. Helaas breken de muren van geluk toch langzaam af. Geven de symptomen van de ziekte toch niks prijs. Ondanks zijn toenemende verzet om de winst te blijven behalen. Op de dag van het wonder. Ligt verlies voor de deur. Samen worden ze opgenomen op de plek waar vrees en hoop wordt geboren. Als de minuten uren gaan duren. En de uitputtende strijd ondraagbare vormen begint aan te nemen. Blijft de strijd om het wonder toch in de armen te mogen nemen. Als de weeën het spel met het vrouwelijke lichaam speelt. Van pijn, maar één doel, om het wonder de wereld in te laten komen. De tijd verstrijkt. Ongeduld wordt meester. De ziekte slaat als een deken over hem heen. Hij mag nu niet verliezen. Een beeld , een oogopslag. Een stukje voelen. Dat zal de liefde bekronen. Door het vuur moet hij komen. Als de aankondiging van het wonder zich meldt. De heftige weeën. Zijn weg naar buiten sluizen. Om het licht van deze wereld te mogen zien. Met zijn kracht die hij bezit. Vecht hij om dit moment te mogen beleven. Als dan babygehuil in de ruimte klinkt. Wordt het kleine wonder in zijn armen gelegd. In de ogen ziet hij de erkenning van die nacht. Als of het mondje dankbaar lacht. Zucht hij zijn laatste adem uit. Zij voelt de tranen van een diep verlies. Als ze de kleine op haar armen krijgt. In de verwarring even heel sterk. Tot zij in de ogen de vonken ziet van haar geliefde. De vechtlust, die hij tot het laatst bezat. Heeft haar zoontje overgenomen. Nooit zal zij de liefde vergeten. Omdat hun wonder het altijd door zal stralen.



EINDE.