Het is een kille avond in oktober in Hoogeveen. Net als anders weinig te beleven. Het is de datum van Halloween maar daar merk je hier niks van. Jasper en Carmel lopen op straat. Jasper is een jongen van dertien jaar oud. Stevig postuurtje, stoere blik, half lang blond haar, ondeugende blauwe ogen. Carmel is een jongen van veertien jaar oud. Licht getint, zwart krullend haar, dun, brutale ogen. Met z’n tweeën zijn ze wat aan het donderjagen. Lopen naar het centrum. De winkels zijn al gesloten, want het is al na zessen. In het centrum hangt een mysterieuze mist. Dat valt de jongens niet echt op. Ze zien de mist wel, maar dat zal wel door het water komen in de Cascade. In de verte staat een gedaante. Op het eerste ogenblik niks bijzonders. Er lopen genoeg mensen na sluitingstijd door de Hoofdstraat. Toch trekt deze gedaante de aandacht van de jongens. “Wat staat daar voor vreemde gast”, merkt Jasper op. “Ja, hij heeft wel een bolle kop, zo van een afstand,” lacht Carmel. “Laten we eens gaan kijken”. Jasper is erg nieuwsgierig. ”Ik wil wel eens weten hoe hij er van dichtbij uitziet”. “Ach waarom ook niet”, reageert Carmel nonchalant. Ze lopen de richting van het gedaante op. Deze heeft de twee kinderen ook gezien. Hij blijft stil staan turen naar de twee. De twee komen steeds dichter in de buurt. Al gauw zien ze in de mist meer vorm van de gedaante. “Hij heeft een pompoenenkop”, schreeuwt Carmel verrast. “Wat een idioot”, reageert Jasper, ”Wie loopt er nou met een pompoen op zijn kop in een verlaten hoofdstraat”. Carmel wijst Jasper erop dat het wel Halloween is. Dus er kan ergens een feestje zijn. Dit komt aannemelijk over.

Ze zijn dan ook van plan om gewoon door te lopen en niet teveel aandacht aan het pompoenhoofd te geven. Het pompoenhoofd heeft echter andere plannen. Hij wil in contact komen met de jongens. Als de jongens dichtbij zijn, draait hij zich naar hun toe. “Hé, wacht eens even”, beveelt hij. De jongens kijken even gestoord op.”Wat moet je”, komt er brutaal uit Carmel zijn mond. Het pompoenhoofd begint te vertellen over een plaats waar hij ze mee heen wil nemen. Als ze dat durven. ”Ik mag niet met vreemden meegaan”, merkt Jasper heel gevat op. Ook Carmel ziet er niks in om met dit pompoenhoofd mee te gaan. “Ach jullie zijn bang”, begint het pompoenhoofd, ”Ik ben geen vreemde voor jullie, ik ben jullie angst”. De jongens schieten in de lach. “Nou ik sta hier echt te bibberen,” lacht Jasper spottend. “Als jullie dan niet bang zijn, ga mee naar het huis van de Halloweengeest hier vlakbij, dan kan je bewijzen dat jullie niet angstig zijn”. De jongens kijken elkaar aan. “Ach, het zal wel weer zo’n reclamestunt zijn”, bedenkt Jasper. Carmel geeft hem gelijk. ”Ik heb hier nog nooit eerder een spookhuis gezien, dus wat hebben we te verliezen”. “Nou, dan komen jullie maar met mij mee”. De twee volgen het pompoenhoofd door de mist. Ze lopen door de hoofdstraat. Daar kijken de jongens elkaar verbaasd aan. Er staat een groot herenhuis. “Die stond daar nooit”. Jasper schudt zijn hoofd ongelofelijk. Ook Carmel heeft het huis nooit gezien. Er staat een groot stalen hek met scherpe punten om heen. In de lucht vliegen allemaal vleermuizen. “Dit is gewoon trucage”, mompelt Carmel. Gezichtsbedrog, ze kunnen met apparatuur een heleboel”. Het pompoenhoofd lacht. Hij doet het hek open, deze piept en kraakt als of hij jaren niet meer gebruikt is. De jongens vinden het vreemd, maar laten zich niet kennen. Ze lopen naar binnen. Recht op het herenhuis af. Jasper krijgt toch wel wat kriebels. Carmel laat niks merken. Dus Jasper houdt het ook maar voor zich. Het pompoenhoofd gaat naar de deur. Hij pakt een sleutel. Draait het slot open. Hij doet de deur langzaam open. “Jullie weten het nog steeds zeker”, lacht hij. De twee knikken stoer. “Oké, kom dan naar binnen”. Ze lopen achter elkaar naar binnen. Ten eerste komen ze in een gigantische hal. Er zitten verschillende deuren. En een hele grote trap naar boven. In de hal hangen portretten van mensen. Maar wie dat mogen wezen. De jongens weten dat niet. Er staat een grote houten kapstok. De pompoenhoofd zegt dat ze daar hun jas op kunnen hangen. Alle twee doen ze dat netjes. Het valt Carmel wel op dat zij de enige twee zijn. Dat is wel raar voor een reclamestunt. Ze blijven er niet te lang bij stil staan, want dan nodigt het pompoenhoofd hun uit om in de grote kamer te komen. Hij doet één van de deuren open. Carmel en Jasper kijken nieuwsgierig naar binnen. Het is een enorme kamer. Mooi ingericht met banken en tafel en stoelen. Aan de andere kant een eettafel met stoelen. Veel schilderijen. Als dit een echt herenhuis is, moet de beheerder wel erg rijk zijn, bedenken de jongens. Tot nu toe is het ook niet erg eng in huis. “Is dit alles”, fluistert Jasper stilletjes naar Carmel. Het pompoenhoofd draait zich om. “Wees maar niet bang, dit is echter nog maar het begin”. De jongens kijken elkaar verschrikt aan. Toch blijven ze er nog steeds bij dat dit alles niet werkelijkheid is. “Jullie krijgen eerst eten. Ga maar bij de eettafel zitten”. De jongens gehoorzamen. Ze gaan netjes bij de eettafel zitten.

Dan gaat het pompoenhoofd weg. Ze blijven met zijn tweeën achter. “Nou, daar zitten we dan”, zegt Carmel met een diepe zucht. “ Ja, zeg dat wel. Ik ben benieuwd wat voor eten we krijgen”. Carmel lacht, ”Als die pompoenhoofd kookt, zal het vast niet veel bijzonders zijn”. In één keer vallen alle lichten uit. Het is pikdonker in de kamer. Er klappen een aantal deuren. Maar de jongens kunnen niks zien. “Dit is niet leuk”, merkt Jasper op. Carmel schrikt ook in één keer. “Er stootte iemand tegen mijn stoel aan,” fluistert hij paniekerig. De jongens krijgen het nu wel benauwd in het donker. “Wie lopen hier rond,” schreeuwt Jasper door de kamer. Er komt geen antwoord. Alleen maar geluiden dat er iets door de kamer heen stommelt. Dan valt de deur weer met een klap dicht. Het licht springt ook weer aan. De jongens kijken beduusd voor hun. Daar zien ze voor hun een grote schaal met een deksel erop staan. “Oh, er is dus eten gebracht”, reageert Carmel nu wat opgelucht. ”Wat zal het zijn”. Jasper kan zijn nieuwsgierigheid ook niet inhouden. “Nou, laten we kijken”, beveelt Carmel. Ze doen voorzichtig het deksel eraf. Dan deinzen ze achteruit. Uit de schaal komen allemaal levendige spinnen. Grote met harige poten. Kleintjes krioelen met zijn honderden door elkaar. Kruisspinnen, grote kruisspinnen en langpoten. ”Gadver,” schreeuwt Jasper. “Wat is dit voor onsmakelijke grap”. Carmel springt van zijn stoel. ”Ik ga kijken wie er in de keuken staat”. “Ja, waar is de keuken dan”, vraag Jasper, ”We hebben niet gezien uit welke deur ze kwamen”. “Nee, dat is zo”, Carmel kijkt bedenkelijk. We kijken gewoon wat er achter de deuren zit. Dan zien we het vanzelf”. Jasper vindt dat ook een goed idee. Ze lopen snel bij de spinnen vandaan. Midden in de kamer zit een deur. Dat lijkt de meest logische deur naar de keuken. Vastbesloten lopen de twee naar de deur. Bij de deur blijven ze toch even stil staan. “Weten we het zeker,” Carmel kijkt Jasper aan. “Ja, doe maar,” beaamt Jasper. Carmel doet voorzichtig de deur open. Luid piepend en krakend gaat de deur open. Ze willen stiekem om het hoekje kijken, maar daar is niets te zien. Dan klapt de deur helemaal open.

Ze worden alle twee naar binnen gezogen. Verbouwereerd staan ze aan de andere kant van de deur. Ze moeten eerst even bijkomen. Dan kijken ze om zich heen. Ze staan buiten. Het is koud. Jasper slaat met zijn armen om zich heen om het wat warmer te krijgen. “Waar zijn we nu”, vraagt hij verbaasd. Carmel kijkt wild om zich heen. Hij snapt er niks van. Hij ziet dat ze op een afgelegen gebied zijn. Maar hoe kan dat nou. Het huis stond midden in de stad. Alles is donker met een laag hangende nevel staan ze ergens midden in. “Dit voelt niet fijn”, merkt Jasper op. Ze lopen een stukje verder. Al gauw zien ze allemaal heide. “Verrekt”, zegt Jasper, “we zijn op een heideveld. Als ik het zo in het donker zie, lijkt het wel de Kraloërheide bij Dwingeloo”. “Hoe kan dat nou, we zijn gewoon door een deur gegaan”. Carmel krabt zich achter de oren. Hij kijkt nog eens om zich heen. “En nu”? “ja en nu”. Klinkt er opeens een stem vlakbij. De jongens kijken verschrikt op. “Wie is daar?”, stamelt Jasper bang. “Ik ben de schaapherder”, antwoordt de stem. “Oh, dat scheelt”, zegt Carmel opgelucht, “iemand die ons hier weg kan halen”. “Daar zal ik niet zomaar vanuit gaan,” lacht de schaapherder, “want mijn schapen hebben erge honger”. “Nou en”, reageert Carmel laconiek, “ Zij eten gras.” “Ja, toen zij leefden wel, maar nu zij dood zijn, lusten ze graag mensenvlees,” buldert de schaapherder. De jongens kijken verschrikt de kant van de stem op. Niet ver van hun zien ze in het donker een wazige schim van een manspersoon. Daarachter allemaal schapen. Maar in het donker zien ze er raar uit. Ook het geluid wat ze maken, is niet wat je een normaal schaap hoort maken. Ze kijken elkaar aan. En schreeuwen dan tegelijk, ”Rennen!”. Ze rennen als gekken de hei op. Achter hun horen ze de bulderende lach van de herder die schreeuwt, ”Pak ze”. De jongens durven niet achter hun te kijken. Ze horen het geluid dat er een kudde achter hun aan zit. In het donker kunnen ze niet zien waar ze lopen. Ze moeten uitkijken dat ze niet vallen of ingehaald worden. Het is hier zo afgelegen. Er is geen mens die hun hoort. Geen mens die hun kan redden. Hoe komen ze hier weg. Ze zijn alle twee erg bang. Maar daar kunnen ze nu niet bij stil staan, want de schapen zitten vlak achter hun. Te laat merkt Jasper dat er een stronk voor hem ligt. Hij valt met een smak op de grond. ”Opstaan, opstaan”, schreeuwt Carmel. De schapen komen steeds dichterbij. Jasper probeert zo snel mogelijk weer in de benen te komen. Zijn voet heeft hij wel aardig bezeerd. Nu kan hij straks niet hard rennen. Dus die schapen kunnen hem nu makkelijk pakken. Carmel blijft maar schreeuwen “Kom op, we moeten verder, schiet op!” Jasper staat op. Hij kijkt achter zich. Heel dichtbij zijn de schapen genaderd. Hij probeert te rennen, maar zijn voet doet te zeer. “Ik kan niet meer,” gilt hij dan. “Je moet,” schreeuwt Carmel terug. “Ga jij maar, ik kan haast niet op mijn voet staan, het heeft geen zin”. De tranen staan Jasper in de ogen. Carmel blijft nu ook staan. ”Zonder jou ga ik niet verder. We blijven samen wat er ook gebeurd”. De schapen komen nu heel dichtbij.

Dan zakken Jasper en Carmel opeens weg in een gat onder de grond. Alle twee doen ze de ogen dicht. Als ze de ogen weer open doen, staan ze in een kelder. De kelder wordt door een klein lichtje verlicht. Voor de rest is er weinig zicht. De jongens kijken elkaar verbaasd aan. Hoe komen we hier nu weer. Maar veel tijd om vragen te stellen is er niet. Ze zien een kleine jongen zitten in de hoek. “Zal ik hem vragen waar we zijn,” stelt Carmel voor. Jasper vindt het goed. Carmel loopt op het jongentje af. Als hij de vraag wil stellen, staat het jongetje op. Hij loopt zo dwars door de muur weg. “Dat is maf, zag je dat,” wijst Carmel naar Jasper. “dit is geen trucage meer. Het spookt hier echt”. “Kan ik ook door de muur heen,” vraagt Carmel zich af. Hij loopt op de muur af. Hij knalt hard tegen de betonnen muur aan. “Dus niet,” concludeert hij helder. “Oké, nu zitten we in een kelder, maar waar moeten we nu heen. Ik wil hier weg,” klaagt Jasper. Hij kan nog steeds niet goed op zijn voet staan. Ze lopen voorzichtig door de kelder heen. In het midden staat een doodskist. De jongens vinden dat niet fijn. Luguber is het juiste woord. Het komt hen ook niet in de gedachten om er aan te zitten. Op zoek naar een open deur. Maar die deur is niet zomaar gevonden. De muur is zo strak dat je er geen deur in ziet. Als er een deur zit. Is het volgende probleem dat er geen deurklink in zit. Hoe moeten ze nou in vredesnaam hier wegkomen. Dat jongetje had hun wellicht iets meer kunnen vertellen, maar ja die kan dwars door de muren heen. Hij loopt weg als je hem iets wil vragen. De jongens kijken rond. Dan opeens in de andere hoek zit dat jongetje weer. Carmel besluit om er nu niet op af te lopen. ”Misschien is hij bang voor ons”. Heel voorzichtig roept hij naar het jongetje. ”Kun je ons horen”. Hij blijft strak in de hoek zitten. Kijkt verder niet op. “Ja, ik kan je horen”, antwoordt hij. Ondanks dat de twee jongens contact met hem willen, schrikken ze wel. “Wat kan ik voor jullie doen”, vraagt het jongetje vriendelijk. Carmel zet even zijn schrik weer aan de kant en vraagt beleefd. “Kun je ons vertellen hoe wij hier weg kunnen komen?” Het jongetje kijkt ernstig. ”Dat is heel gevaarlijk, maar als je echt wilt, het kan misgaan dat is mij gebeurd”. ”Wat bedoel je,” vraagt Carmel nieuwsgierig. “Om hier weg te komen, moet je de deksel van de grafkist eraf duwen. Dan gaat er een deur open, maar tegelijkertijd wordt ook de vampier wakker die daar in ligt te slapen. Deze heeft verschrikkelijke honger. Hij pakt elk slachtoffer die hij kan pakken. Hij heeft mij gedood, daardoor ben ik nu een geest. Je moet heel snel zijn als je de deksel eraf hebt. Buiten de kelder zit een knop als je die indrukt gaat de deur direct dicht, maar dan moet je wel op tijd zijn”. De jongens kijken elkaar aan. “Ik kan niet hard rennen,” reageert Jasper zwaarmoedig. “Ik wel, we gaan het proberen, jij gaat bij de muur staan, ik schuif het deksel eraf. Het moet lukken,” commandeert Carmel vastbesloten. “Nou, veel succes,” wenst het jongetje. Jasper sputtert nog wat tegen. ”We weten niet waar de deur precies zit”. “Kom op,” moedigt Carmel aan. ”Met zijn tweeën moet het lukken. Carmel loopt naar de grafkist. Jasper gaat dicht bij de muur staan. Als Carmel dicht bij de grafkist staat, heeft hij toch wat last van knikkende knieën. Nu moet hij doorzetten. Voorzichtig drukt hij tegen het deksel aan. “Je moet het sneller doen,” roept Jasper. Carmel slikt even. Verzamelt dan alle moed. Hij drukt met volle kracht het deksel van de grafkist. Niet zover van Jasper begint een zware stenen muur te bewegen. Dat is de deur. “Hij gaat open”, schreeuwt Jasper. Carmel rent als een gek die kant op. Jasper hinkelt zo snel als hij kan ook die richting op. Gelijktijdig springt er een vampier uit de kist. Het is verbazingwekkend hoe snel hij ontwaakt is. Carmel is erg snel. Al is de vampier nog sneller. Jasper is intussen bij de deur. Hij is er met al zijn kracht snel heen gehinkeld. Alleen Carmel zit met een probleem. De vampier is met een grote snelheid hem voorbij gegaan. Staat nu voor hem. Gereed om aan te vallen. Carmel raakt in paniek. Hij schreeuwt naar Jasper om hulp. Jasper staat stijf van schrik. “Wat moet hij doen. Hoe kan hij zijn vriend redden. Hij loopt al zo slecht, straks pakt die vampier hem. Carmel schreeuwt hard, ”Doe nou iets, anders verslindt hij mij”. De vampier komt steeds dreigender op Carmel af. Jasper moet nu iets doen, anders heeft de vampier zijn vriend te pakken. Jasper kijkt snel om zich heen. Hij moet wel iets doen. Zonet heeft Carmel zijn leven gered. Hij kan hem nu niet laten zitten. Naast hem ligt een losse steen. In één reflex pakt hij de steen. Gooit hem direct keihard richting de vampier. Nu maar hopen dat hij raakt. De steen suist door de lucht. Jasper kijkt gespannen. Dan komt hij recht tegen de kop van de vampier. De vampier kijkt met een flits naar achteren. Op dat moment schreeuwt Jasper tegen Carmel, ”Rennen”. Het gaat snel maar Carmel zet weer de sprint in. De vampier is even beduusd van de klap van de steen. Toch is hij ook weer snel bij. Hij komt met grote snelheid weer achter Carmel aan. Die nu wel heel dichtbij de deur in de buurt is. Net daarvoor pakt de vampier hem weer beet. Jasper moet nu echt zelf in actie komen, anders redt Carmel het niet. Met knikkende knieën beweegt Jasper zich richting de vampier en Carmel. Hij heeft niet echt een plan. Het enige wat hij weet, is dat hij die vampier bij Carmel weg moet krijgen. Het kan gewoon niet dat hij toekijkt hoe zijn vriendje verslonden wordt door de gulzige vampier. Het feit is echter wel dat hij niet snel weg kan. Dus het probleem kan wezen dat hij het slachtoffer wordt van de vampier. Daar heeft Jasper vrede mee. Met deze kracht loopt hij toch enigszins heldhaftig naar de vampier. Als hij vlakbij is, de rillingen door zijn hele lichaam lopend, drukt hij keihard tegen de vampier aan. De vampier draait zich van schrik om. Hij laat Carmel gelijktijdig los. Jasper brult tegen Carmel dat hij hard moet gaan rennen. “En jij dan,” schreeuwt Carmel terug. “Laat maar,” antwoordt Jasper. “Zorg dat jij veilig bent. Je hebt mij net nog gered”. “Laten we dan samen blijven staan”, komt Carmel op het idee, ”Dan pakt hij ons maar alle twee. We hoeven ons toch niet op te offeren”. “Je hebt gelijk. Laten we samen hier door gaan. Het belangrijkste is ons twee. En we laten elkaar niet zitten”.

Op dat moment worden ze uit de kamer gezogen. De deur klapt dicht. De vampier kan hun niks meer doen. Beduusd vallen de jongens in een andere ruimte op de grond. Ze kijken om zich heen, maar ze weten nog steeds niet waar ze zijn. Goed en wel bijgekomen, valt er plots een muur tussen de twee jongens in. Ze staan alle twee alleen in een rare smalle gang. Ze raken alle twee in paniek. Ze slaan op de muur. Deze is helaas onbreekbaar. Ze kunnen elkaar niets eens horen. Nu staan ze er alleen voor. Kunnen ze elkaar niet helpen. Waar komen deze gangen terecht. Zien ze elkaar ooit weer terug. Dit huis is absoluut niet meer leuk. Het is zeker geen reclamestunt. Het is een ware nachtmerrie. Carmel begint toch maar het pad te betreden. Het heeft weinig zin om tegen de muur te blijven staan. Jasper komt hier ook achter. Met zijn zere voet begint hij ook maar alleen zijn weg te gaan. Al gauw komen de jongens erachter dat dit een doolhof is. Maar niet een normaal doolhof. Het zit vol met boobytraps en gevaren. Verder kruipen er veel ratten, kakkerlakken en ander ongedierte langs de muren. Zo durft Carmel niet de muren vast te pakken. Al gauw komt hij op een driesplits. Hij moet een keuze maken welke kant hij op gaat, links, rechts of rechtdoor. Carmel twijfelt, hij kan niet overleggen. Moet dit alleen doen. Hij besluit na een tijd te twijfelen rechtsaf te gaan. Als hij net de grond betreedt, scheurt deze open. Carmel slaat wild met zijn armen in de rond. Probeert met zijn handen ergens houvast te krijgen. Gelukkig lukt dat aan de rand van het grote gat wat is gevallen. Daar hangt hij aan zijn armen. Kijkt naar beneden. Tot zijn grote schrik ziet hij dat hij niet naar beneden moet vallen. Grote grijze pennen steken uit de bodem. Als hij daar op valt, wordt hij zeker doorboord. Als een wilde probeert hij zich met zijn twee armen weer naar boven te trekken. Alle kracht perst hij in zijn armen. Hij hijgt en puft. Met zijn benen zet hij zich af tegen de rand. Langzaam krijgt hij zichzelf omhoog. Het zweet staat op zijn hoofd. Toch geeft hij niet op. Ploeterend drukt hij zijn lijf uit het gat. Het begint steeds beter te lukken. Op een gegeven moment ligt hij voor de helft uit het gat. Nu moet het verder lukken. Trekt zijn benen verder omhoog. De laatste krachten gebruikt hij om helemaal uit het gat te komen. Hijgend ligt hij op de grond. Daar blijft hij ook een tijdje liggen om even goed bij te komen. Als hij weer zover is, zijn er echter toch nog twee keuzes. Linksaf of rechtdoor. Met alle spanning in zijn lijf besluit hij toch weer een keuze te maken. Recht door. Heel voorzichtig schuift hij voet voor voet naar voren. Er gebeurt niets. Toch is hij nog niet helemaal gerust. Weer zet hij voorzichtig een stap. De grond is stevig. Er gebeurt helemaal niets. Nu durft Carmel grotere passen te nemen. Hij loopt de weg rechtdoor. Niet wetende wat er op hem staat te wachten.

Jasper slentert ook door het doolhof. De eerste driesprong is voor hem ook een feit. Hij koos direct om rechtdoor te gaan. Er gebeurde bij hem niets. De ratten die langs zijn benen heen schieten, vindt hij echter minder fijn. Hij is bang dat ze hem gaan bijten. Toch probeert hij met ze te ontwijken redelijk snel de pad te doorlopen. Al blijft zijn voet aardig zeer doen. Dat is wel een last die hij mee draagt. Al gauw komt er een tweesprong. Rechtdoor of linksaf. Omdat Jasper nog niks mee heeft gemaakt, neemt hij laconiek de weg naar links. Als hij de weg goed en wel is ingeslagen, er een stukje is ingelopen, beginnen opeens de muren te bewegen. De zijmuren komen steeds dichter naar elkaar. Uit de muren komen dan ook nog ijzeren pennen. Jasper schrikt ontzettend, hij moet terug, zo snel mogelijk. Al gaan de muren ook met een rap tempo naar elkaar toe. Trekkend met zijn been, probeert hij zo snel mogelijk weer terug te gaan. Één van de ijzeren pennen haakt achter zijn kleding. Nu raakt Jasper toch enigszins in paniek. Hij probeert zich los te rukken, maar dat lukt niet. Hij moet rustig blijven. Dat beseft hij ook opeens. Met dat los rukken bereikt hij het niet. Als hij rustig blijft, kan hij zich misschien nog losmaken. Hij probeert zichzelf rustig te manen. Gaat dan voorzichtig met zijn hand naar achteren en rukt het kledingstuk van de pen af. In de rust gaat het vanzelf. Maar de muren komen nog wel steeds dichterbij. Hij moet echt weg. Te rustig kan het niet. Geen paniek. Alleen ook niet te rustig. Hij is los. Sleurt zich naar voren. Het is intussen erg krap. Maar hij kan er nog net tussendoor. Het laatste stukje springt hij. Dan vallen de muren tegen elkaar aan. Ligt hij net op tijd naast de muren. Een zucht van opluchting slaakt hij uit. “Dat was met op het nippertje,” mompelt hij tegen zichzelf, ”Ik hoop niet meer van deze dingen mee te maken”. Gelukkig heeft hij nu één keus rechtdoor. Hij neemt het pad maar. Hier gebeurt er gelukkig weer niets. Zo slentert hij weer door het doolhof. Zich afvragend hoe het met Carmel gaat.

Carmel vervolgt zijn weg heel voorzichtig. Ook hij komt bij de tweesprong. De gok dat het de vorige keer rechtdoor was, neemt hij nu ook maar. Enigszins met zweet op zijn voorhoofd, steekt hij de tweesprong over. Vervolgt heel voorzichtig de weg. Bang dat er elk moment iets staat te gebeuren. Het blijft gelukkig uit na een tijdje het pad te zijn begaan. Wordt hij toch wat rustiger. “Er is niets gebeurd”, zegt hij opgelucht. Al is het doolhof nog niet aan zijn einde. Hij slingert door verschillende bochten. Uiteindelijk komt hij op een viersprong. Wat het aparte nu is, is dat aan alle drie de kanten die hij op kan, een deur zit. Hij moet door één van die deuren, maar welke. Eigenlijk heeft Carmel weinig twijfel. Het was de hele tijd rechtdoor. Dus dat zal het nu ook wel wezen. Zonder enige twijfel steekt hij de viersprong over. Naar de deur rechtdoor. Maar voor hij bij de deur is, scheurt de grond open. Kolossale poten komen uit de grond. Carmel deinst snel naar achteren, met ontzetting kijkt hij wat er naar boven klimt. Hij wil wel weg rennen, maar verstijft blijft hij kijken. In zijn hoofd ratelen al zijn alarmbellen. Hier komt volgens hem zijn grootste nachtmerrie naar boven. Daarom kan hij zijn ogen er ook niet van afwenken. Uit de grond klautert een enorme sprinkhaan. Een gigantische kop met verschrikkelijke dodelijke klauwen. Zijn spitse bek klappert heftig heen en weer. Carmel voelt zich totaal verloren. Hoe komt hij hier levend weg. Dat beest hoeft nog maar één keer te springen. Dan ligt hij als prooi onder hem. Wat kan hij nu nog doen. Wegrennen heeft zo weinig zin. Hij heeft geen hulp van Jasper. Is dit ook wel de goede deur. Daar begint Carmel ook nog eens over te twijfelen. Maar hij heeft ook geen lef. Om naar een andere kant te lopen. Je weet maar nooit wat er dan staat te gebeuren. De sprinkhaan is intussen geheel uit de grond gekropen. Hij kijkt met zijn uitpuilende ogen dringend naar Carmel die steeds verder in elkaar zakt. Schietgebedjes zegt hij wel honderden keren op. Hij knijpt zichzelf om zeker te weten of dit zeker niet één van zijn nachtmerries is. Alles wat hij doet helpt niet, want hij zit in de doolhof met een gigantische sprinkhaan. De sprinkhaan doet zijn kop voorzichtig naar voren. Zijn voelsprieten komen haast tegen Carmel aan. Carmel wil het wel uitgillen. Wat heeft Carmel toch een spijt dat ze met het pompoenhoofd mee zijn gegaan. Dit is niet leuk meer. Hoe konden ze zijn grote nachtmerrie weten. Hoe kan hij dit overleven. Die sprinkhaan zal hem waarschijnlijk zometeen helemaal verslinden. Zag iemand hem maar.

Jasper is met zijn zere voet ook door geslenterd tot de viersprong. Jasper is er ook van overtuigd dat rechtdoor de goede weg moet zijn, omdat dat de hele tijd de juiste weg was. Hij loopt de viersprong over. Bij hem staan ook drie deuren. Hij is er zo van overtuigd dat het die deur moet zijn. Hij is haast al wat vrolijk. Hij zucht van opluchting in zichzelf. ”Dat doolhof was tenminste niet zo heftig”. Al gauw komt hij erachter dat hij iets te voorbarig was, want als hij net op het pad voor de deur staat. breken de muren open. Uit de muur komen takken. Op de takken zitten allemaal slangen. Grote giftige slangen. Jasper doet snel een paar passen achteruit. Al doet het even goed zeer aan zijn voet. Hij verbijt de pijn. Het hele pad verandert in een dicht oerwoud met overal gigantische slangen. Dit is Jaspers zijn grootste nachtmerrie. Hij durft niet bij die slangen in de buurt te komen. De slangen liggen ook dreigend gespitst om hun slachtoffer te pakken. Jasper zit er even verslagen bij. Zo komt hij niet bij de deur. Er is niemand die hem nu kan helpen. Hij is alleen. De andere kant op gaan, is enigszins een optie. Alleen, wat gaat er dan toch gebeuren. Hij is er enigszins van overtuigd dat dit de goede weg is. De slangen blijven niet op hun plek. Ze kruipen langzaam richting Jasper, die wordt daar alleen nog angstiger van. Terug rennen is ook geen goed idee. Hoe komt hij hier door. Kon iemand hem nou maar zien. De hele tijd hebben ze elkaar geholpen. Nu weten ze niet eens van elkaar in wat voor nood ze zitten. Er zit een muur tussen hen in. Ze moeten hun eigen nachtmerrie verslaan. Maar Jasper kan daar haast de kracht niet voor vinden. Hij is te angstig. Aan de andere kant zit Carmel in hetzelfde pakket. Hij is ook te angstig om iets te doen. Ze zijn verloren. Dit zogenaamde Halloweenhuis heeft van hun gewonnen.

De slangen komen steeds dichterbij. Jasper rilt als een rietje, kruipt machteloos in elkaar. De sprinkhaan maakt voorzichtig aanstalten richting Carmel. Carmel wil het wel uitschreeuwen, ‘Waarom doe je het niet snel, dan ben ik eraf”. De vechtlust die ze met zijn tweeën hadden om voor elkaar te staan, blijken ze nu kwijt te zijn. Of is er toch nog een lichtpuntje. Als bij Carmel en Jasper in de gedachte komt. Al zit er een muur tussen ons in., we zijn nog steeds met zijn tweeën, we mogen het voor elkaar niet opgeven. Deze oppeppende gedachte schiet opeens door Jasper en Carmel. Voorzichtig begint het vuur weer in hun ogen te branden. Jasper staat op. Hij loopt recht op zijn ergste nachtmerrie af. Hij roept als een wilde. “Ik laat mijn vriend niet alleen. Ik ben bang, maar we kwamen hier samen. En we gaan hier samen weg”. De slangen kruipen nog steeds dreigend naar hem toe. Even komt de twijfel terug. Toch weet Jasper dat hij door moet. Op datzelfde moment is Carmel ook in de benen gegaan. Ondanks dat de sprinkhaan recht voor hem staat, roept hij in alle kracht, ”Ik laat mijn vriend niet alleen. Ik zal blijven vechten tot het bittere einde. Maar samen zullen we winnen. De sprinkhaan doet geen stap achteruit. De angst slaat Carmel wel weer even om het lijf, maar hij weet dat hij door moet zetten. Jasper doet een stap naar voren. Opeens schiet een slang naar voren met de bek open. Carmel doet aan de andere kant van de muur een stap naar voren. De sprinkhaan neemt kleine sprong recht naar Carmels keel.

Er valt een diepe stilte in alle twee de doolhoven. Bewegingsloos liggen Carmel en Jasper op de grond. Geen enkele beweging. De sprinkhaan, de slangen en het woud zijn weg. Maar de jongens liggen er al dood bij. Hadden ze het verkeerde besloten. Heeft dit nu een leven gekost. De muur zit nog wel tussen hen in. Zo blijft het een tijd rustig in de doolhof. Opeens begint er een wind te waaien. Door de wind bewegen de haren van de jongens, maar nog geen teken van leven. Dan gebeurt er iets opmerkelijks.

Heel langzaam komt er wat beweging bij de jongens. Ze leven nog. Na een tijdje krabbelen ze alle twee omhoog. Beduusd kijken ze om zich heen. Carmel ziet dat de sprinkhaan is verdwenen. Jasper ziet dat het woud met slangen weg is. De deur is vrij. Ze staan alle twee op. Lopen naar de deur. Doen hem alle twee tegelijk open. Het eerste wat ze zien, als ze de deur openen, is elkaar. Dol gelukkig springen ze elkaar in de armen. ”We hebben het gered”, lacht Jasper vrolijk, “Echt wel”, beaamt Carmel. Als ze klaar zijn met hun vreugdedans, kijken ze rond waar ze eigenlijk terecht zijn gekomen. “Het is de keuken”, zegt Carmel verbaasd. Ze kijken goed rond. Als ze opeens in de hoeken de kokken zien staan. Het zijn alleen geen normale kokken, maar zombies. De twee jongens krijgen weer de schrik van hun leven. Lelijke gedrochten met bloed uit de mond. Halve ledematen, uitpuilende ogen staan dreigend hun kant op te kijken. Het is zeker, ze zijn niet welkom in de keuken. De zombies komen langzaam dichterbij. De jongens krijgen het weer knap benauwd. Deze keuken moeten ze snel verlaten. In de keuken zitten een aantal deuren. De weerzin om weer ergens terecht te komen, waar ze nog meer gevaar lopen, groeit nu wel bij de jongens. Ze willen gewoon het huis verlaten. Carmel merkt helder op. ”Nu verbaast mij ook niet dat we spinnen als maaltijd kregen”. “Ja, “beaamt Jasper, ”Zulke gedrochten kunnen vast niet beter koken”. Al maken de zombies onheilspellend geluid. “Geef ons jullie brein”. De jongens kijken wild om zich heen. Dan besluiten ze toch maar eieren voor hun geld te kiezen en door één van de deuren te gaan. Ze rennen er met een vaart naar binnen. Gooien de keukendeur met een smak dicht. Hopen dat de zombies de deur niet kunnen openen. Ze staan stil, kijken om zich heen.

Het is de kamer waar ze in het begin waren. Waar ze besloten de keuken te zoeken. Die hadden ze nou gevonden. Betekende dit nou de einde van de rit. De jongens kijken elkaar aan. Voordat ze iets kunnen zeggen, vallen de lampen uit. Het is er weer pikkedonker. Overal horen de jongens geluiden. Opnieuw wordt angst van hun meester. Wat gebeurt er in het donker. Deuren klapperen. Ze weten nu dat er zombies in de keuken zitten. Komen zij binnen in het duister. Kunnen zij hun zien. Worden ze zometeen alsnog afgemaakt. Ze bibberen als een rietje. Ze houden zelfs elkaars handen vast. Voorzichtig doen ze stappen achteruit. Een joelend geluid klinkt door de kamer. Alle twee weten ze niet hoe snel ze moeten bukken. Dan kraken er weer deuren. De spanning is ondraaglijk. Duidelijk horen ze nou voetstappen in de kamer recht op hun af lopen. De jongens houden hun adem in. Het komt steeds dichterbij. Als het vlak voor hun staat, gillen de jongens het uit. “Spaar ons alstublieft, we willen leven, we willen nog niet dood”. Dan klinkt er hard gelach. Het licht gaat aan.

Voor de jongens staat het pompoenhoofd. Hij buldert van het lachen. “Ik dacht dat jullie niet bang waren. Ik heb nog nooit zo van mensen genoten als van jullie. Maar één ding geef ik jullie echter toe. Jullie zijn ware vrienden. Laten elkaar niet zitten. Daar kan een ieder nog veel van leren. Maar wat kunnen jullie bibberen. Voor iemand zonder angst”. De jongens vinden het alle twee niet leuk. “We willen hier weg”, reageert Carmel geïrriteerd. “Ja, dat begrijp ik”, antwoordt het pompoenhoofd, ”Omdat jullie dachten dat dit een reclamestunt was, heb ik nog één verrassing”. De jongens kijken elkaar verbaasd aan. Het pompoenhoofd haalt twee zilveren speldjes te voorschijn met zijn afbeelding. “Dit is het bewijs dat je mijn huis hebt betreden, wees er zuinig op, want jullie hebben de ware Halloweengeest ontmoet. Ik zal jullie naar buiten begeleiden”. Ze lopen de grote hal in. Aan de kapstok hangen nog hun jassen. Ze doen ze snel aan. Jasper kijkt nog naar de portretten aan de muur. Dan ziet hij er twee waar zij opstaan. Verbaasd roept hij, ”He, wij staan ook op de portretten”. Het pompoenhoofd glimlacht. Een ieder die zich heldhaftig door mijn huis heeft weten te doorkomen, mag op de eregalerij hangen. Dus jullie ook. Maar onthoudt. Lach nooit om angst, want angst lacht eerder om jou”. Dan doet hij de deur open. De jongens lopen uit het grote herenhuis. Ze lopen het pad af. Door het hek. De schrik nog steeds in de benen. Na een tijdje lopen kijken ze nog even naar achteren. Maar het herenhuis is echter verdwenen. Jasper vraagt verdwaasd aan Carmel, ”Heb ik alles nu wel echt meegemaakt”. “Zonder twijfel “, reageert Carmel. Ze kijken naar de klok, het is net na zevenen. Al lijkt het of ze de hele nacht weg zijn geweest, is er net een uur van deze Halloweenavond voorbij. Ze lopen door de hoofdstraat. Als ze in de verte een schim van iets met een groot hoofd zien, bedenken ze zich niet. Rennen ze snel door een andere paadje. Blijven ze rennen tot ze thuis zijn. Wat er achter in de hoofdstraat nu stond, weten ze nu niet. En willen ze ook niet weten. Deze Halloweennacht blijft voor altijd in hun geheugen gegrift . Maar bovenal. Is vriendschap het beste wat je op dat moment kan overkomen.

Carmel gaat direct naar zijn huis. Jasper naar de zijne. Als ze ’s avonds eindelijk op bed liggen nog een gedachtenval hebben van wat er is gebeurd, klinkt de lach opeens door hun kamer. Carmel doet zijn ogen open die hij dicht had, uit zijn kast klimt een gigantische sprinkhaan. Ook Jasper was ingedut. Hij doet zijn ogen open. De hele kamer is veranderd in een oerwoud met slangen. Alle twee gillen ze het uit. De grimmige stem van het pompoenhoofd, ”Wenst hun nog een prettige halloweennacht”.

©2012 Ralph Mulder