Op een stoffige zolder ligt een groot boek, dat boek ligt er al jaren.
Het is de zolder van de opa en oma van Steffie.
Steffie is een jongen van zes jaar, een beetje bolle wangetjes met een vrolijk gezicht.
Dik postuur en echt stekel haar.
Hij is erg ondernemend en nieuwsgierig.
Dat boek heeft hij nog nooit op zolder zien liggen, hij is dan ook erg benieuwd wat het voor boek is.
Op school krijgt hij al lezen en schrijven, maar het zijn niet zijn beste vakken.
Hij loopt naar het boek toe, hij kijkt wat er op staat.
Er ligt een lading stof op, dus hij kan het niet goed lezen.
Voorzichtig blaast hij het stof van het boek af.
Er komen letters zichtbaar, zonder verder na te denken begint Steffie de letters hard op te spellen.
Hij noemt op de M dan de a g i s c h e.
“Dat maakt, hij denkt goed na, “Het is een moeilijk woord”.
Hij zit met mag en ische wat kan dat zijn.
Opeens heeft hij het, het is magische, daarna spelt hij het tweede woord.
Het is een lang woord de p en de r, e, n, t, e,n,b, o,e,k.
Dat is …… Prentenboek, het is magische prentenboek.
Nadat hij dat voluit heeft gezegd gaat in één keer het boek open.
Steffie schrikt de hele zolder veranderd in een bladzijde van het prentenboek.
Opeens zit Steffie vast aan de bladzijde hij kan niet meer los komen.
Hij is nog niet van de schrik bij gekomen als er een aapje naar hem toe springt.
Steffie wil weg, maar kan niet weg.
“Dit is wel heel erg raar”, schreeuwt Steffie verwart.
“Zeg mij wat, beaamd het aapje
“Kun je praten”, vraagt Steffie verbaast.
“Ja jij toch ook”, antwoordt het aapje brutaal.
“Waar kom jij opeens vandaan, dan”, vraagt Steffie nu nieuwsgierig.
“Dat zag je toch wel”, reageert het aapje geïrriteerd,” Uit dit rare boek natuurlijk”.
“Ja, maar hoe kom jij in dat boek”, gaat Steffie nieuwsgierig door.
“Op dezelfde manier als jij er nu in komt, je moet hier eerst goed alle opdrachten doen anders kom je nooit uit deze prentenboek”, zegt het aapje nu serieus.
“Hoe bedoel je “reageert Steffie verschrikt.
“Net wat ik zeg, Je krijgt opdrachten, het is hier net een doolhof jij moet de boel goed doen, ik zal jou helpen, want ik wil hier ook weg’.
“Maar ik kan mij niet eens bewegen, ik zit hier vast”, gaat Steffie paniekerig te keer.
“Daarom moet je mij vertrouwen”, sust het aapje.
“Ik blijf hier niet in dit boek, je moet me direct los maken”, commandeert Steffie nu tegen het aapje.
Het aapje begint te gieren van het lachen.
“Doe niet zo dom, dat kan ik niet, je zult gewoon de dingen moeten doen in dit prentenboek, zo niet dan zit je voor altijd vast in dit prentenboek, aan jouw de keus”.

Steffie mompelt nog wat, maar beseft dat hij geen keuze meer heeft.
Hij moet dat rare aapje gaan vertrouwen, hopen dat hij hier uit deze nachtmerrie ontwaakt

De zolder is in één grote prent veranderd.
Het is een mooi getekend bloemenveld met allemaal verschillende bloemen.
“Dit wordt de eerste opdracht”, zegt het aapje,”In het bloemenveld zitten dieren verstopt.
Als je ze opnoemt maken ze geluid en verdwijnen.
Als je alle dieren hebt genoemd, dan is de opdracht gelukt, en zal de bladzijde omslaan.
Steffie kijkt goed in het bloemenveld.
Dan moppert hij ,“Door al die bloemen zie je toch nooit een dier”.
“Kom op, zegt het aapje,” We moeten het samen nu doen kijk eens goed”.
Steffie laat een diepe zucht horen, dan moet jij ook heel goed kijken.
Het aapje knikt,”Dat is afgesproken”.
Ze kijken alle twee heel geconcentreerd naar het bloemenveld.
“Heb je ook bananen”, onderbreekt in één keer het aapje,”Ik heb honger”.
“Nee natuurlijk niet”, snauwt Steffie,”Ik wist toch niet dat ik jou tegen kwam.
En kijk nu maar of je iets vind”.
Dan ziet Steffie iets zwarts achter een bloem, hij zegt tegen het aapje dat hij daar eens moet kijken.
Aapje kijkt goed naar het zwarte achter de bloem.
Hij schreeuwt dan,”Het is een kraai”.
En luid kraaiend vliegt de kraai weg.
Het aapje springt alle kanten op tot het lawaai ophoudt.
Het stoere aapje is nu een redelijk bang aapje.
“Zo”, denkt Steffie,” Daar moet ik dit prentenboek mee uit komen, ik hoop maar dat, dat lukt”.
Weer gaan ze turen in het bloemenveld of ze weer iets zien.
Het aapje is weer redelijk bij gekomen, dan schreeuwt hij wijzend.
“Een eend, zie je dat daar achter die lange bloemen zit een eend”.
Gelijktijdig begint er een luid gekwaak.
Nu schrikt Steffie toch wel even.
Het aapje duikt ook even weer weg, maar komt toch vrij snel terug naar de plaats om verder te turen.
Deze is heel moeilijk.
Steffie en het aapje kunnen het niet vinden.
Ze blijven maar naar het bloemenveld staren, maar zien geen enkele vogel meer.
Steffie wordt er wat vervelend van ,”We vinden het nooit, daar zit vast niks meer dat stomme boek houdt mij hier altijd vast”.
Het aapje loopt zenuwachtig heen en weer.
“Nee er moet hier nog wat zitten,maar we moeten heel goed kijken.
Dan zien ze opeens een klein kopje achter een kleine bloem.
“Wat is dat”, roept Steffie opgewonden.
Aapje gaat er dichter heen, hij kijkt.
“Het is een mus”, buldert hij uitbundig.
Gelijk gaat er weer een getjilp door het boek.
Nu begint ook de bladzijde te bewegen.
Aapje schreeuwt”, de eerste opdracht is gelukt.


De zolder verandert in de volgende bladzijde uit het prentenboek.
Het is een gigantisch bos, waar je zo in zal verdwalen.
Nog steeds zit Steffie vast.
Er liggen vijf vruchten dicht bij aapje en hem.
Aapje weet de volgende opdracht, Ze moeten al de vruchten in de juiste boom in het bos doen.
“Maar hoe weten we of we het we in de juiste boom hangen”, merkt Steffie op.
“Nou in de boom zit een letter verstopt waar de naam van de vrucht mee begint, maar pas op er zitten ook tekens in die bijna op die letters lijken en daar mag je absoluut de vrucht niet in doen”.
Het aapje kijkt naar de vruchten het zijn een appel, mandarijn, sinaasappel, peer en banaan.
Aapje zit vooral met grote ogen naar de banaan te kijken.
“Die wil ik”, giert hij hebberig ,” ik heb honger”.
Steffie schreeuwt dat hij dat niet mag doen, anders zal deze opdracht niet gaan slagen.
Maar aapje is niet snel te overtuigen, hij gilt ,”Weet je wel hoelang ik hier zonder eten zit”.
“Nou als we er uit komen krijg je van mij zoveel bananen als je maar wilt”, beloofd Steffie plechtig.
Dan biecht aapje op dat hij hier eerder is geweest en dat dit de reden was dat hij niet meer uit het boek kwam, omdat hij de banaan had op gegeten.
Dit maakt Steffie niet al te rustig,
hij kan er niet bij in de buurt komen, als aapje niet luistert, dan gebeurt het weer.
Het aapje springt om de banaan heen.
“Goed, Zegt Steffie ,”We doen eerst de banaan in de boom.
Aapje kijkt beteuterd, maar luistert toch maar.
De bomen zitten onder een dik bladendek.
Het is erg moeilijk om de letters te vinden.
De B zijn ze druk aan het zoeken.
Aapje en Steffie zijn zo druk bezig dat ze niet door hebben, dat er iemand naar het fruit toe sluipt wat ze op een bultje hebben laten liggen.
Aapje heeft alleen de banaan vast, hij kijkt naar de bomen of hij de letter b goed ziet.
Intussen is het figuur bij de fruit, hij pakt snel iets en is weer weg.
Steffie en aapje hebben niks gezien.
Aapje loopt naar een boom af met een teken met twee rondjes boven op elkaar, het lijkt op een hoofdletter B.
“Nee”, Schreeuwt Steffie ,“ Het is niet de letter B”.
Het is net op tijd anders had aapje hem erin gehangen.
Nu zoeken ze verder, iets de andere kant op staat wel een boom met de letter B.
“Doe hem daarin”, schreeuwt Steffie.
Aapje kijkt nog één keer verlekkert naar de banaan, maar hangt hem dan toch in de boom.
Het is goed, hij loopt terug naar het andere fruit.
Bij het fruit aangekomen kijkt hij eens goed naar het fruit.
“Ik mis één”, zegt hij dan bedenkelijk.
“Hoezo, waar is hij dan en wat mis je dan”, merkt Steffie wat verbaast op.
Het aapje kijkt goed, hij zegt dan ,“De sinaasappel is weg”.
Steffie raakt in paniek ,”Hoe kan dat, er is hier toch verder niemand”.
Het aapje kijkt naar beneden, hij begint zenuwachtig met zijn poten te bewegen.
Dan mompelt hij ,”Ja er is hier nog iemand”.
“Wat dan, wie heeft de sinaasappel”, schreeuwt Steffie paniekerig ,"Ik was hier de hele tijd dan moet ik hem toch gehoord hebben”.
“Ja er is hier ook een wezel, die steelt alles”, flapt het aapje er dan uit.
“Waarom heb je dat niet eerder gezegd”, reageert Steffie boos .
“Euh vergeten”, antwoordt het aapje onschuldig.
Steffie schudt zijn hoofd ,”Dit is mooi straks heeft die wezel de sinaasappel op gegeten, dan zitten we hier als nog vast.
We moeten hem direct zoeken”.
“Ja maar ik kan die wezel niet aan”, roept het aapje bang.
“We zullen toch die sinaasappel terug moeten krijgen, ik zit vast jij moet het doen”, commandeert Steffie nu serieus ,“Je legt de rest van de vruchten voor mij neer, zodat ik dat in de gaten kan houden”.
Aapje gaat met knikkende knieën opzoek naar de wezel.
Hij verdwijnt het bos in, maar is al gauw op het verkeerde spoor.
De wezel was de hele tijd in de buurt.
Hij ziet nu kans om de schil van de sinaasappel af te halen.
Achter een boom gaat hij op een gemakje met de sinaasappel bezig.
Iedereen kan de wezel nu zien zitten, zelfs aapje.
Deze gluurt tussen de bomen om te kijken als hij een spoor van de wezel ziet.
Dan ziet hij opeens de wezel op zijn gemakje daar met de sinaasappel zitten.
Nu moet hij slim zijn, wat kan hij doen om de sinaasappel terug te krijgen.
Aapje moet wezel ontzettend laten schrikken, dat hij van schrik de sinaasappel laat vallen en er van door gaat.
Aapje besluit om wezel zachtjes te gaan besluipen achter de bomen langs.
Hij moet wel uit kijken, want wezel kijkt af en toe alle kanten op of hij iemand is.
Aapje verstopt zich telkens achter een boom, of duikt snel weg.
Als hij dicht bij de wezel is gaat hij achter een boom spookgeluiden maken.
“Boehoehoe”, Schalt hij achter de boom weg.
De wezel kijkt verschrikt op.
Hij kijkt wild om zich heen ,”Wie is daar”, schreeuwt hij bang.
Aapje krijgt er lol in en begint ,”Ik ben een spook, die dieven pakt”.
De wezel staat op ,”Waar zit je, ik kan je niet zien”.
Aapje klimt snel in de boom en zegt ,“Natuurlijk kun je mij niet zien.
Een spook kun je alleen maar horen, maar ik kan jou wel pakken”.
De wezel wordt steeds banger, hij kan geen hoogte krijgen waar de stem vandaan komt.
Als Aapje dan ook nog eens de takken van de boom laat bewegen.
Wordt het wezel teveel hij gooit de sinaasappel op de grond en rent zo hard als hij kan het bos in.
Aapje komt als hij ver genoeg weg is lachend uit de boom.
“Die had ik eens goed beet”, Lacht hij.
Hij pakt de sinaasappel op en loopt er mee naar Steffie.
Steffie is ook erg blij dat het hem gelukt is.
Nu moeten ze verder kijken om de vruchten in de boom te hangen, van de wezel hebben ze de eerste tijd toch geen last, die laat nu de eerste tijd zijn kop niet meer zien.
Na een hele zoektocht lukt het om de vruchten in de juiste bomen te krijgen.
Als de laatste vrucht in de boom wordt gedaan begint de bladzijde weer te veranderen.
Wat zullen ze nu krijgen.


De zolder veranderd nu in een soort bibliotheek, nog steeds staat Steffie vast.
Hij laat wel een diepe zucht horen ,”Dit zal vast met lezen en schrijven te maken hebben”.
“Nou we moeten gaan rijmen”, verteld het aapje.
“Ho maar dat kan ik helemaal niet”, mompelt Steffie ongelukkig.
“Er zijn tien woorden in deze bibliotheek, en daar moeten wij op zien te rijmen.
De woorden staan op boeken, posters en computers, omdat jij vast zit zal ik er wel heen lopen om het woord op te noemen, als we alles hebben kunnen we weer verder.
Steffie heeft er een zwaar hoofd in ,”het lukt vast niet”, mompelt hij hopeloos.
Het aapje beurt hem op ,”Kom op we hebben alles nog gered dus dit moet ook lukken”.
“Kun jij dan rijmen”, vraagt Steffie nu aan aapje.
Aapje kijkt hem aan en antwoordt ,“Nee dat kan ik niet, ik ben een aap en die rijmen niet”.
“Nee maar die praten normaal gesproken ook niet”, gaat Steffie er direct overheen.
Ze kijken elkaar even ongelukkig aan, dan loopt het aapje toch maar naar het eerste woord.
Hij kijkt op een boek en zegt ,”Gordijn”.
Steffie is nog niet met rijmen bezig, maar antwoordt in een reflex ,”Ik vindt het hier gewoon niet meer fijn”.
Het aapje juicht ,”dat was goed“.
Hij legt het boek weg.
Dan loopt aapje naar een poster op een deur er staat “deur’’
Opeens doet het aapje zijn neus in de lucht ,”Wat ruik ik voor geur”, gooit hij eruit.
Nu juicht Steffie, maar aapje is duidelijk in de ban van een geur die hij ergens ruikt.
“Het zijn Bananen”, mompelt hij ,”Ik ga er heen”.
“Nee”, schreeuwt Steffie ,”je moet blijven mij te helpen”.
“Dat zal”, reageert het aapje ongelukkig ,”Maar ik heb ontzettende honger, zonet kon ik ook al geen banaan opeten”.
Maar wat ze niet weten is dat wezel een aantal bananen op afstand heeft neer gelegd, om aapje weg te lokken, zodat hij iets kan stelen waar een woord op staat.
Steffie probeert op alle manieren aapje te overtuigen dat ze eerst verder moeten gaan.
Hij belooft plechtig als ze uit het boek zijn dat aapje een heleboel bananen van hem krijgt.
Aapje ziet het derde woord op een boek “dier”.
Maar omdat hij zich zo ongelukkig voelt schreeuwt hij ,”het interesseert mij in ieder geval geen sier”.
Zonder na te denken had hij weer gerijmd, maar hij wil nu toch echt de bananen gaan halen.
De bananengeur wordt voor aapje te sterk.
Wezel zit in een hoekje te lachen, te wachten tot het aapje naar de bananen rent.
Het aapje loopt met zijn neus haast tegen een computer aan, op het beeld staat begrijpen.
Hij zucht ,”Ik begin hem nu toch echt te knijpen”.
“Ole”, schreeuwt Steffie ,”Jij bent echt goed, je hebt nu al drie woorden geraden, samen al vier.
We zijn bijna op de helft”.
Dat ziet wezel ook, die begint zich nu zorgen te maken.
Hij moet toch een betere manier verzinnen om aapje weg te krijgen.
Intussen heeft het aapje het nog steeds moeilijk, maar hij gaat door naar het vijfde woord.
“Leven” staat op een andere boek.
Steffie zit nu hard op te denken.
Op een gegeven moment heeft hij het ,”We moeten nu niet op geven”, brult hij vrolijk eruit.
“Ja we zijn op de helft”, lacht nu ook het aapje.
Maar dan worden er stukjes banaan de bibliotheek in gegooid.
Aapje kijkt er gelijk naar, nu is hij bijna niet meer tegen te houden.
Tot Steffie roept ,”dit is vast een valstrik van die wezel”.
Aapje blijft stil staan ,”Daar kun je nog wel eens gelijk in hebben”, zegt hij dan.
“Hij wil natuurlijk een boek of een poster weg jatten, zodat de opdracht niet lukt”, maakt aapje nu als heldere opmerking ,”We moeten gewoon door gaan”.
Al blijft aapje verlekkert kijken na de stukjes bananen.
Wezel baalt als een stekker, zijn plan lukt niet.
Wat moet hij nu bedenken om iets weg te stelen.
Aapje loopt weer naar een boek het zesde woord is “badjas”.
Ze beginnen weer druk te rijmen.
“Ach dit woord komt nu echt niet van pas”, roept Steffie chagrijnig als ze er niet uitkomen .
“Oké je hebt hem weer”, lacht aapje.
Steffie is even verbaast, maar gebied dan, dat ze gelijk het volgende woord moeten doen.
Het is weer een boek met het woord “vuren”.
Aapje deunt op ,”Hoelang gaat deze ellende nog duren”.
Ze schieten alle twee in de lach.
“Het gaat best wel makkelijk, we hebben ze bijna allemaal”, lacht Steffie.
Intussen is wezel stoom aan het blazen, hij vindt dit helemaal niet leuk.
Hij moet ze stoppen, anders zit hij straks alleen in dat prentenboek.
Kan hij van niemand meer wat stelen.
Hij moet nu maar wat risico’s gaan nemen er is nog een boek en een poster.
Eén van die dingen moet hij snel te pakken krijgen en dan snel weg rennen.
Dat aapje kan hem toch niet aan en Steffie kan hem al helemaal niet tegen houden.
Steffie en aapje maken nog wat lol met elkaar dat ze bijna deze bladzijde hebben gered.
Als Wezel te voren komt.
Voorzichtig hun kant op komt.
Ze hebben niks in de gaten.
Aapje en Steffie zien hem allebei eerst niet, dan als hij vlak bij is ziet Steffie de wezel.
Hij schreeuwt ,”kijk uit de wezel, hij gaat wat van ons stelen”.
Snel grist de wezel het boek, hij zet het op het rennen.
“Ga er achter aan”, schreeuwt Steffie tegen het aapje.
Het aapje bedenkt zich niet, hij rent achter de wezel aan.
Wezel rent door de bibliotheek, hij probeert aapje af te schudden.
Dan schreeuwt Steffie ,”Kijk naar het woord op het boek, die zijn we alleen nodig”.
Aapje doet zijn uiterste best om het woord te ontcijferen, maar wezel probeert dat ook tegen te houden.
Steffie blijft aapje aanmoedigen, wezel wordt al wat moe van het rennen al geeft hij het niet op.
Aapje springt en rent hard achter hem aan, hij probeert het woord te lezen.
Hij ziet de s en de t en d o en de p.
Aapje roept keihard ,” stop“.

De wezel draait zich om ,”Ik geef het nog lang niet op”.
Aapje blijft nu opeens stil staan en begint te juichen.
Wezel rent gewoon door, Steffie snapt er niks van.
“Wat doe je nou”, vraagt Steffie verbaast ,“Je moet het woord ontcijferen”.
“dat heb ik gedaan en wezel heeft erop gerijmd, alleen heeft hij het zelf nog niet door, lacht aapje, We moeten snel de laatste doen voor hij erachter komt.
Aapje loopt naar de poster daar staat het woord “eind”.
Wezel kijkt nu ook verbaast achterom.
Hij ziet dat aapje hem niet meer volgt, dat aapje met het andere woord bezig is.
Nu wordt wezel boos hij loopt dreigend op aapje af
Steffie ziet dat, maar hij kan niks doen
“O nee hij mag aapje niks aan doen, het is beter dat wezel verdwijnt”, schreeuwt hij uit.
In één keer begint de bladzijde te bewegen, de kamer begint weer te veranderen.
Aapje slaakt een zucht van opluchting,”het is weer gelukt”.


De volgende bladzijde slaat open, een kamer met allemaal verschillende voorwerpen.
Het aapje slaakt een vreugde kreet ,”Dit is de laatste bladzijde als we dit halen zijn we uit het boek”.
“Maar wat moeten wij hier dan doen”, vraagt Steffie nieuwsgierig
“We moeten de voorwerpen juiste namen geven dat samen doen en daar een rijmpje van maken”, legt het aapje uit.
“Dat is het magische rijmpje dat ons van dit prentenboek bevrijdt”.
Steffie heeft gemerkt dat rijmen goed ging, op de vorige bladzijde en nu het eind in zicht is, is hij er klaar voor.
Er zijn twaalf voorwerpen en plaatjes op de voorwerpen en plaatjes staat ook hoeveel letters het moet hebben
Steffie kijkt in de rondte hij zegt ,“Ik zie al een trui, schoenen en een broek”
Aapje pakt de voorwerpen op en legt het bij hun neer.
“Zo gaat het snel“, zegt het aapje.
“Ja, dat moet ook”, merkt Steffie op,” Dan zijn we hier snel weg”.
Dan bedenkt Steffie in één keer ,“Kan wezel ook nog weer komen”.
Aapje antwoordt ,“Nee die hebben we nu echt verslagen, het is nu alleen van belang dat we snel het rijmpje maken, want de tijd speelt wel een rol”.
“Hoe bedoel je dat nu weer”, vraagt Steffie die dacht dat ze het eigenlijk nu wel gehaald hadden.
“Kijk zie je die zandloper voor die tijd moeten we het rijmpje hebben gezegd anders sluit het boek als nog”, vertelt het aapje.
“Kon je dat niet in het begin er gelijk bij zeggen“, reageert Steffie geergerd.
“Was ik even vergeten”, antwoordt het aapje onschuldig.
“Nou kom op alle voorwerpen snel bij langs”, commandeert Steffie, dan moeten we het kunnen redden.
Aapje loopt naar de voorwerpen en houdt ze één voor één omhoog.
Na een tijdje hebben ze ook een tekenpotlood, klok, boek en sleutel.
Over een tekening vallen ze een tijdje het staat aan gegeven dat het maar vijf letters mag hebben, maar tekening schrijf je met meer.
Wat is een andere naam voor tekening zitten ze hard op te denken.
Op een gegeven moment krijgt Steffie een helder idee ,“Hij roept het is een prent”.
Nu hebben ze acht voorwerpen ze moeten nog vier dingen raden.
Aapje pakt een doos.
“Dat is een spel“, roept Steffie gelijk.
Aapje kijkt ,”ja dat klopt ook, nu nog twee tekeningen.
Op de één staat een gebouw een vreselijk kaal gebouw met tralies.
Daar hoeven ze ook niet lang over na te denken.
Ze zeggen in koor ,”Een gevangenis”.
Dan is er nog één tekening ook hebben ze die snel geraden het is een cel.
Maar nu klopt er iets niet, ze hebben elf dingen, waar is de twaalfde.
Aapje vind alleen een papier met de stippeltjes van het woord er is de eerste letter op aan gegeven en de laatste.
Het begint met o en eindigt met een r en het heeft elf letters.
“daar komen we nooit achter”, zegt Steffie radeloos ,“waarom is hier geen plaatje bij.
We kunnen niks zien ja”.
Alle twee beginnen ze te denken, de zandloper loopt door.
Aapje schud ook zijn hoofd ,”We moeten opschieten, met het rijmpje anders halen we het niet”.
“Ja waarom is het ook zo onzichtbaar voor ons”, merkt Steffie op.
Aapje begint te lachen,”ja je hebt hem”.
“Hoezo, wat bedoel je, wat heb ik”, ratelt Steffie achter elkaar door.
“Je hebt het woord net gezegd”, giert het aapje van plezier ,”Het woord is onzichtbaar.
Je kunt het niet zien dus het is onzichtbaar”.
Steffie begint het woord te tellen en ja aapje heeft gelijk, nu kunnen ze bezig het rijmpje te maken.
“Maar hoe maken we nou een rijmpje, het zijn zoveel woorden”, merkt Steffie bezorgt op.
Aapje heeft intussen een stuk papier ,“Daar kunnen we de woorden op schrijven.
De laatste woord moet telkens rijmen op de volgende zin.
Dus we moeten eerst de woorden die op elkaar rijmen.
Zo beginnen ze de woorden op te schrijven al gauw komen ze er achter dat broek op boek rijmt en spel op cel.
Tot zover zijn ze nu maar de tijd tikt door en ze hebben nog geen rijmpje .
Welke woorden moeten nu bij elkaar in de zin.
Volgens Steffie de woorden die bij elkaar passen.
Zoals schoenen, trui en broek.
“O wacht eens dan weet ik de tweede zin”, komt aapje dapper mee aan ,”tekenpotlood, prent, boek”
Dat ziet er goed uit, maar nu wordt het moeilijker
Want gevangenis, sleutel, cel en klok onzichtbaar spel.
Is dat wel de goede volgorde, ze zullen het uit moeten proberen.
De tijd tikt weg, de zandloper is bijna leeg.
Ze hebben niet veel tijd om van alles uit te proberen.
Dus ze beginnen alle twee het rijmpje op te zeggen.

Schoenen, trui, broek
Tekenpotlood, prent, boek
Gevangenis, sleutel, cel
Klok, onzichtbaar, spel

Het blijft even muis stil.
De zandloper laat bijna de laatste restjes vallen.
Steffie brult al ,”het was niet goed”.
Maar dan valt het boek dicht.
Steffie staat weer op de zolder.
Hij kijkt om zich heen en juicht ,”Het is gelukt”.
Maar dan is hij ook wat bedrukt waar is aapje gebleven, hij ziet aapje niet.
Opeens komt er achter de kast op de zolder een blond dun meisje van ongeveer zes jaar aan lopen.
Steffie kijkt verbaast ,”Wie ben jij”, vraagt hij nieuwsgierig.
"Ik ben aapje”, zegt het meisje verlegen.
Steffie kan het haast niet geloven ,”Hoezo aapje was een echte aap, jij bent een mensenmeisje”.
“Precies toen ik het boek opende net als jij was ik een gewoon meisje, maar ik was als meisje al dol op bananen, dus toen kon ik niet laten om de banaan op te eten, toen veranderde ik in aapje en ik zat vast in het boek tot jij kwam”.

“JaJa”, Zegt Steffie wat ongeloofwaardig ,”Waarom zei je dat dan niet direct”.
Het meisje kijkt naar beneden en antwoordt ,”Vergeten”.
Nu is het voor Steffie helemaal duidelijk dat zij aapje is, want die kan alleen zo vergeten zeggen.
Steffie wordt weer vrolijker ,“Dan hebben we het toch samen zo gered”.
“Ja”, zegt het meisje ,“Dat kwam omdat we elkaar vertrouwde, dat was heel belangrijk”.
“Daar ben ik het helemaal mee eens, maar ik doe dat boek nooit meer open”, beaamd Steffie.
Zo hadden ze een heel spannend avontuur beleeft met een magische prentenboek, waar ze geleerd hadden op elkaar te moeten vertrouwen om zo eruit te kunnen komen.

EINDE