Mijn vader is mijn beschermengel


Assim rent vrolijk door het huis. Hij is een jongen van tien jaar oud.

Een klein dun jongetje met vrolijke blauwe ogen en half lang blond haar.

In zijn leven is er niets waar hij zich zorgen over hoeft te maken. Samen met zijn vader, moeder en zus woont hij in een mooi huis in Hoogeveen. Assim kan heel goed met zijn vader overweg.

Ze gaan vaak samen leuke dingen doen, zoals vissen en voetballen.

Assim vindt alleen zijn zus soms een dikke klier. Dat kind bemoeit zich altijd met hem.

Zij is maar drie jaar ouder. Dan doet ze soms ook nog net alsof zij zijn moeder is.

Buiten dat heeft hij veel vriendjes, goede cijfers op school en zijn ouders zijn erg trots op hem.



Vandaag gaat hij samen met zijn vader vissen. Ze zullen op tijd weggaan.

Vader wist een mooi plekje bij een grote plas buiten Hoogeveen, alleen wil hij niet zeggen waar het precies is. Dat ze met de auto moeten, is duidelijk. Assim vindt het reuze spannend.

Hij heeft er al heel veel zin in. Het is een mooie zaterdag . De zon komt al lekker op.

Buiten is het niet koud, ondanks dat het toch midden oktober is.

Voor de zekerheid nemen ze wel regenkleding mee. Als het begint te regenen, worden ze in ieder geval niet nat. Assim verzamelt alle visspullen. Hij doet die alvast in de auto.

Na een tijdje zijn ze eindelijk klaar om te vertrekken. Assim mag natuurlijk voorin zitten naast zijn vader. Het is nu ongeveer tien uur ’s ochtends. dus echt druk op de weg is het niet.

Vader rijdt voorzichtig weg, de straat uit. Richting de snelweg. ‘Gaan we de snelweg op,’ vraagt Assim nieuwsgierig. Vader lacht, maar zijn lippen blijven gesloten. Dan draait hij de auto de snelweg op.

Nu weet Assim helemaal niet waar ze heen gaan. Hij had zowel wat ideeën over grote plassen buiten Hoogeveen, maar daar hoef je niet de snelweg voor op . Assim wordt nu wel heel erg nieuwsgierig, maar vader laat niks los. Hij geniet ervan dat zijn zoon het zo graag wil weten.

Op de snelweg drukt vader het gaspedaal even goed in. Al gauw rijden ze honderd, wat op deze weg ook mag. Ze rijden richting Ommen. Vader heeft intussen een leuk muziekje aan gezet. Ze zingen alle twee vrolijk mee. Samen hebben ze veel plezier tot er recht voor hen opeens een vrachtwagen opduikt.



Vader schrikt ontzettend. De vrachtwagen haalt een ander in, wat niet meer kan en niet mag.

Ze komen nu met een vaart van honderd recht op de vrachtwagen afdenderen .

Vader probeert met alle macht op de rem te trappen, maar een ongeluk zal hij daar niet mee voorkomen. Dan geeft hij een harde ruk aan het stuur. De auto schiet van de weg af.

Assim duikt in elkaar. Vader rukt zijn gordel los, hij gooit zijn lichaam over Assim. Het is allemaal secondewerk. Alles gaat in een flits. Het eindigt met een grote knal, dan staat alles stil.

Niks beweegt, een dodelijke stilte vindt plaats.

Na een tijdje wordt er op de deur gebonkt. Er wordt aan alle kanten aan de auto getrokken.

De hulpdiensten komen ter plaatse, maar in de auto is geen enkele beweging.



In een witte gang loopt Assim alleen. Hij roept naar zijn vader. Alles is mistig, overal zijn deuren.

Hoe hard hij ook naar zijn vader schreeuwt, hij krijgt geen antwoord. Hij probeert een deur open te maken, maar deze zit op slot.

Verloren loopt hij verder door de gang. Angstig kijkt hij om zich heen. Op deze plek is hij nog nooit eerder geweest. Hij ziet en hoort niemand, dat maakt hem bang.

Als hij ver voor zich kijkt, ziet hij een licht. Terwijl hij goed luistert, hoort hij daar ook geluid vandaan komen. Er komt een beetje hoop op zijn gezicht. Hij begint weer harder naar zijn vader te roepen .

Hij rent die kant op, maar als hij dichterbij komt, hoort hij dat het geen mannenstem is, maar wel een vertrouwde stem. Het licht komt steeds dichterbij. Het wordt erg fel. Assim begint te knipperen met zijn ogen.



Dan opent hij weer zijn ogen. Hij ligt nu plotseling in een bed.

‘ Waar ben ik,’ mompelt hij overdonderd. Boven hem ziet hij het gezicht van zijn moeder.

Ze heeft tranen in de ogen, ’Gelukkig, je bent er weer,’ zegt ze voorzichtig optimistisch.

Assim kijkt onwennig om zich heen. ’Waar ben ik,’ vraagt hij nog eens verdwaasd.

‘Je ligt in het ziekenhuis,’ antwoordt zijn moeder liefdevol, ’Je hebt een ongeluk gehad, maar je hebt het gelukkig overleeft.’ Assim kijkt om zich heen, ’Waar is papa?’, vraagt hij dan.

Moeder draait haar hoofd weg. Ze fluistert zachtjes, ‘Dat kan ik je nu niet zeggen, doe nou eerst maar rustig aan. Je moet nu nog heel veel rusten van de harde klap die je hebt gehad.’

Assim doet zijn ogen weer dicht, zijn moeder houdt zijn hand vast.



Langzamerhand knapt Assim op. Toch is het vreemd dat hij al die tijd zijn vader niet ziet.

Als hij er naar vraagt, wordt zijn moeder emotioneel , maar ze blijft de vraag ontwijken. Pas als de situatie helemaal stabiel is bij Assim en hij buiten levensgevaar is, komt moeder met zus binnen.

Ze zegt dat ze iets belangrijks moet vertellen. Assim kijkt hun vragend aan. Hij ziet het verdriet in hun ogen. Hij mompelt voorzichtig, ’Is papa dood?’ Moeder barst in huilen uit. Ze drukt Assim stevig tegen haar aan. Ze vertelt hem, wat hij gedaan heeft. Dat hij Assim heeft beschermd, maar het zelf niet heeft gered. Moeder bevestigt dat ze blij is dat Assim het gered heeft, maar dat ze nu met zijn drieën verder moeten. Alle drie huilen ze .



Door de klap heeft Assim een hersenbeschadiging en een aantal botbreuken opgelopen. Op wonderlijke wijze geneest alles goed. Na een tijd revalideren, mag Assim eindelijk naar huis.

Daar komt de klap toch het hardst aan. Hij valt weg in een diep gat, want nu is het huis zo leeg zonder zijn vader. Zijn maatje waar hij zoveel mee deed, is weg. Assim trekt zich steeds meer terug. Hij verandert in een stille jongen. Zijn moeder kan hem ook niet echt helpen. Ook zij zit nog vast in haar verdriet. Assim begint ook steeds meer een schuldgevoel te ontwikkelen, omdat hij het wel heeft gered, doordat zijn vader hem beschermde. Deze gedachten laten hem niet los.

Hij praat er ook met niemand over. Zo kwelt hij zich meer en meer. Als dit zo doorgaat, gaat dit gezin kapot aan het verdriet.



In een grote witte ruimte met ramen op een mistige grond, zodat je naar beneden kan kijken, zweven allemaal gedaantes rond. Het zijn posturen van een mens, maar ze zijn niet menselijk.

Één wezen kijkt door het raam. Telkens valt er een traan op van zijn gelaat.

Een grote lichtgevende persoon die er ook rond dwaalt, gaat achter het wezen staan.

Hij vraagt, ’Wat kan ik aan dit verdriet doen?’ Het wezen antwoordt , ”Ik wil terug naar dat huis, ik wil hen zo graag helpen.’ De persoon in het licht knikt begrijpend maar zegt, ’Je weet dat ik je niet meer als mens terug kan laten gaan, het enige wat ik voor je kan doen is je als een engel terug te laten gaan, die zij niet kunnen zien. Jij mag zelf nooit je identiteit vrijgeven. Als zij weten wie jij bent, moet je terug. Maar zolang mag je hen troosten en sterker maken. Op een gegeven moment moeten ze verder zonder jou. Ze moeten het loslaten en jij ook, hoe moeilijk dat ook zal zijn. Onthoudt deze woorden. Het wezen bedankt de persoon in het licht. Hij daalt af naar het huis.



Op een avond zit moeder snikkend voor zich uit te staren. Ze voelt zich zo alleen. De kinderen zijn er wel, maar hun vader mist ze vooral ‘s avonds het ergst. Dan voelt ze opeens een warm gevoel door haar schouders, net of iemand haar even lief beet pakt. Ze kijkt verschrikt op, maar ziet niks, gelijk wordt ze dan ook vervuld met een innerlijke rust. Net of vader weer bij haar zit. Op dat moment komt Assim de kamer binnenlopen. Hij kijkt naar zijn moeder. Dan kijkt hij opeens heel raar.

Moeder ziet het, ’Wat is er?,’ vraagt ze verbaasd. “Er staat iemand achter jou,’ zegt Assim heel rustig. Moeder reageert nu wat minder rustig , ze draait zich met een ruk om. Alleen ziet zij niemand staan. ‘Nou, wat is dit voor flauwe grap?,’ reageert ze nog half geschrokken en boos. ”Nee echt mam, ik zie een gedaante achter je staan, die de hand op jouw schouders legt.’ verweert Assim heel serieus.

Nu kijkt moeder erg verbaasd, want zij had daar juist dat gevoel gekregen wat haar zo’n innerlijke rust gaf. De gedaante verdwijnt nu direct. Moeder is ook van de schrik bekomen. Ze drukt Assim tegen zich aan, ‘Ik weet niet wat het was. Ik zag het toch heel duidelijk”, blijft Assim beweren. ’Het zal wel . misschien laten we ons iets te veel meeslepen door ons verdriet’, verklaart moeder het maar.



Het wezen is direct weer naar boven gegaan naar de persoon in het licht. ’Hij kan me zien, wat moet ik nu? Hij zal me direct herkennen.’ De persoon in het licht lacht, ‘Ja, zijn geestelijke ogen zijn geopend, maar hij zal je niet eerder herkennen, als het daar de juiste tijd voor is. Die tijd komt omdat, wat ik eerder zei, jullie los van elkaar moeten komen, wees niet bang, help hem ook naar zijn moeder toe te bewijzen dat hij het echt ziet, dat hij niet gek is. Jouw liefde wordt hun redding.’



De tijden gaan voorbij. Assim verklaart telkens de verschijningen van de gedaante. Het blijft voor hem moeilijk om het helemaal thuis te brengen. Toch put het hele gezin er veel troost uit. Moeder wordt het ook steeds duidelijker dat Assim echt de dingen ziet. Dat het geen spoken zijn.

Waarschijnlijk is zijn geest wel geopend bij zijn bijna doodervaring. Hetgeen wat niet valt te verklaren is, wie die gedaante is, maar dat hij wel goede bedoelingen heeft. Brengt het gezin weer wat dichter bij elkaar. Ondanks het verdriet, wat nog steeds onuitwisbaar is, zorgen deze ervaringen toch voor meer licht. Alleen de hartenpijn van Assim, waar hij nog steeds niet over praat, zijn schuldgevoelens jegens zijn vader, dat draagt hij nog steeds als een grote last bij zich. Ook het niet afscheid kunnen nemen is een zeer punt. Zolang de dingen voor hemzelf niet zijn opgeruimd, blijft hij toch vast in zijn isolement zitten.



Op een dag staat Assim alleen op zijn kamer. Dan ziet hij de gedaante opeens voor hem staan.

‘ Wie ben jij?’ vraagt Assim direct op de man af. De gedaante zwijgt. Assim neemt daar geen genoegen mee. ‘ Waarom zie ik jou en de rest niet? Je bent niet zomaar een geest, want je helpt ons. Dus wie ben je?’ De gedaante blijft zwijgen. ’Ben je Jezus of een engel?,’ blijft Assim raden.

Assim is even stil, gaat op zijn bed zitten, vraagt dan heel rustig,’ Of ben jij het pap?’

De gedaante draait zijn gelaat weg. Dit is voor Assim genoeg, “Jij bent het papa?”. De gedaante draait zich naar Assim toe. Tranen staan er in de ogen, ‘Ja mijn zoon, ik ben het, je vader.’

Assim ploft neer. Alles komt naar boven verdriet, onbegrip, vragen, te veel. De gedaante van zijn vader gaat naast hem zitten. Hij legt de hand op zijn schouder, ’Kom maar mijn zoon, vertel me alles wat je dwars zit, ik ben er nu voor jou.’ Assim begint zijn verhaal. Alles wat vast zat, komt nu los. Huilend alsof hij niet meer kan stoppen. Liefdevol vertelt de gedaante van zijn vader dan, ’je hoeft je niet schuldig te voelen. Ik deed dit uit liefde, net als elke vader dat zal doen voor zijn kind. Als ik het opnieuw moest doen, deed ik het weer, jij bent mij zoveel waard. Ik had je nog zoveel meer willen geven, dat spijt mij dat het niet meer kan. Gelukkig was God mij genadig. Hij zei: “het grootste bezit heb je aan je kind gegeven en dat was je leven. Hij beloonde mij daarom dat ik jullie nog een tijd mocht steunen en helpen. Dankzij dat heb ik nu de kans om ook afscheid van jou te nemen. Je zult nu alleen met je moeder en zus door moeten gaan.” Assim kijkt verschrikt op, ’ga je me nu al verlaten?’ ‘Ja, ik moet terug. Ik kan niet voor eeuwig bij je blijven, je moet op eigen kracht verder. ‘Maar dat kun je nog niet doen,’ smeekt Assim snikkend. ”Ik weet dat jij het kunt. Doe de dingen die ik je heb geleerd. Ik zal er altijd zijn, ook al zie je me niet meer. Kijk naar de sterren, één van de lichtjes ben ik. Ik zal altijd op je stralen tot de tijd dat we elkaar weer terug zien.’ Assim kijkt met betraande ogen. Hij wil zo graag dat dit moment voor eeuwig duurt. De gedaante van zijn vader zegt dan nog, ’wees God dankbaar dat wij dit moment nog samen hadden. Blijf wie je bent, pas op je moeder en zus. Zeg dat ik op ze wacht.’

‘Gooi je hengel uit mijn vriend, ooit zul je grote vissen vangen. Ik hou heel veel van je, weet dat ik altijd trots op je ben.’ De gedaante vervaagt. Assim schreeuwt nog, ”blijf toch hier.’ Huilend valt hij op zijn bed, maar dan vervult een innerlijke rust hem. Ondanks de pijn van afscheid is er een vrede in zijn hart gekomen.

Hij loopt rustig naar beneden, steekt een kaarsje bij vaders foto aan.

Hij zegt in zichzelf, ‘Rust maar zacht mijn lieve papa,. Jij blijft altijd mijn beschermengel.’



EINDE