Laatste Update 05-12-2011

Schoonhoven deel 1

 

Het is middernacht in midden maart. Een vrachtwagen rijdt over een donkere weg naar een stille plaats. De meeste mensen slapen, zij weten niet wat er gaande is. De vrachtwagen rijdt een parkeerplaats op van een zwemplas. Deze zwemplas ligt dichtbij Hoogeveen. Hier wordt er zomers veel gezwommen, maar op dit uur van de dag is er niemand. De vrachtwagen rijdt pittig over de parkeerplaats heen. Hij ramt een balk die tussen de parkeerplaats en de plas zit. Hij rijdt recht op de zwemplas af. Daar draait hij met een zwaai de vrachtwagen. De achterklep gaat omhoog. Er komt een soort sap uit lopen. Als hij alles kwijt is, rijdt hij net zo snel weer weg. Het enige spoor wat hij achterlaat, is de kapotte balk en de wielafdrukken in het zand.

 

De volgende dag komt de eigenaar van het restaurant bij de zwemplas. Hij ziet de kapotte balk.

Hij is erg verbaasd. Dit is hem eerlijk gezegd nog niet eerder overkomen. Hij kijkt verder en ziet dan de bandensporen op het strand. Hij vertrouwt het toch niet helemaal en  waarschuwt de politie. Binnen de kortste tijd is er een politieauto ter plekke. De agenten bekijken de boel doorgrondig. Maar ze zitten allen met de vraag: “Wat is er nou eigenlijk precies gebeurd. Wie rijdt er nou naar de plas toe en terug?” Voor nood laten ze duikers en onderzoekers komen om te kijken of er iet in het water is geloodst. Maar welke onderzoeken zij ook doen, er is niets te vinden. Ook geen chemische lading die ze misschien in de zwemplas hebben geloodst. De zoektocht wordt op een gegeven moment maar afgebroken, omdat er niets uitkomt. Ook de vrachtwagen, die op het strand is geweest, is onvindbaar. Ze kunnen alleen vaststellen dat iemand waarschijnlijk erg vandalistisch was en in een dolle bui de boel kapot heeft  gereden. Daar wordt het onderzoek bijgelaten. Maart, April en Mei zijn nog niet echt warme maanden om al lekker te gaan zwemmen in de zwemplas. Juni begint de temperatuur erg te stijgen, zelfs boven de 25 graden. Nu kunnen mensen het niet nalaten om af te gaan koelen in de zwemplas en er is geen reden om er niet heen te gaan.

 

Het is dinsdag 29 juni, kwart over drie. Michel, Djoffrie, Stefanie en Patricia gaan op de fiets naar de zwemplas Schoonhoven, iets buiten Hoogeveen. De zon straalt volop. Michel is een jongen van achttien jaar. Hij ziet er breed uit, heeft half lang haar, een smal serieus gezicht en een lang postuur. Hij weet heel goed wat hij wil. Hij is tot over zijn oren verliefd op Stefanie. Djoffrie is een smalle lange jongen met kort blond haar en een vrolijk gezicht. Een opscheppertje, maar wel heel spontaan. Stefanie is een knappe slanke dame met een aardige boezem, lang bruin haar, lief gezichtje. Een meisje, waar jongens snel dol op zullen worden. Ze is een slagje eigenwijs, maar erg meelevend. Patricia is een kakkertje. Altijd druk op haar kleren. Ze is dun, het juiste maatje. Lang donker bruin haar, smal gezicht, bitcherige uitstraling, maar dikke vriendin met Stefanie. Ze mag ook zeker gezien worden. Het is amper een kwartiertje fietsen, dan zijn ze al bij de zwemplas Schoonhoven. De jongens hebben al snel hun t-shirt , schoenen en sokken uit. “Kom op”, schreeuwt Djoffrie tegen de meiden,”Het water wacht”. Patricia snauwt,” Wij meiden hebben wel iets langer werk nodig hoor”! “Ach, gaan jullie maar alvast”, valt Stefanie vriendelijk in de rede. De jongens rennen naar het water. “Er in één keer in rennen”, zegt Michel,”Anders krijg je het veel te koud”. “Oké en dan gelijk koppie onder”, roept Djoffrie. De jongens plonsen het water in. Ze gaan gelijk koppie onder. Maar springen alle twee tegelijk ook weer boven. “Brrr, wat koud”, klappert Michel. “Ach, we moeten er gewoon doorheen”, reageert Djoffrie. “Kijk naar die andere mensen die er in zitten. Die hebben het ook niet meer koud”. Eindelijk komen de meiden ook bij het water. Stefanie doet voorzichtig haar teen in het water. “Brrr koud”, gilt ze dan. “Je moet er gelijk helemaal in rennen”, laat Michel hun ook weten. “Nou dat weet ik niet”, steekt Patricia haar neus op,”Dan hebben we het vast heel erg koud in één keer”. “Ik weet ook wel iets anders”, zegt Djoffrie dan. “Kom op Michel, we zullen ze wel even aan dit water laten wennen”. Djoffrie begint hard te spetteren tegen de meiden aan. Stefanie begint te gillen,”Aaargh koud, oké ik kom er wel in”. Zij rent keihard op de jongens af. Patricia blijft eerst staan. Opeens lijkt het of haar gezicht op donders gaat staan. Maar dan verandert ze ook snel en rent ze ook het water in. Als ze allen in het water zitten, wennen ze al snel aan de temperatuur. Ze besluiten een stuk te gaan zwemmen naar de overkant van de plas. In de hele plas kun je staan, maar het is toch leuk om hem over te zwemmen. In het water is het niet ontzettend druk, maar dat geeft niet. Dan kunnen zij lekker rustig zwemmen. Onder het zwemmen, praten ze over allemaal verschillende dingen. Af en toe gaan ze even staan om bij te komen, dan weer vlug door zwemmen tot Patricia opeens begint te gillen. De anderen kijken verschrikt op. “Wat is er”, vraagt Djoffrie bedeesd, maar toch iets geschrokken. “Er ging iets langs mijn voeten”, gilt Patricia. “Ja, dat kan”, antwoordt Djoffrie nou rustig. “Er zit hier ook wel vis in het water”. “Ieks, nou zo voelde het niet”, beweert Patricia met een vies gezicht. Stefanie is maar snel naar haar vriendin toegegaan. Ze legt een arm over haar schouder en sust,”Het was vast gewoon een vis, net wat Djoffrie zei”. Patricia sputtert eerst nog wat tegen, maar ze zou ook niet weten wat het anders is geweest. Dus legt ze zich er maar bij neer. Ze zwemmen weer rustig verder. Alleen zit Patricia nu wel gespannen rond haar te kijken of ze iets ziet. Het heeft haar eigenlijk helemaal niet rustig gemaakt. Aan de andere kant is bos. Het water is daar al wat viezer. Alles voelt viezer aan. Dus Patricia loopt het laatste stukje naar de kant met hoge poten. “Gedver”komt geregeld uit haar mond. Ze staan allemaal op de kant. Ze kijken de bosjes in. Tot grote schrik van hun allen zien ze daar wat liggen. “Wat is dat”, vraagt Michel nieuwsgierig.“Ik weet het niet”, antwoordt Djoffrie, “laten we wat dichterbij gaan kijken”. “Niet doen”, roept Stefanie paniekerig,”Je weet niet of het gevaarlijk is. “Nou, dan moeten we daar achter zien te komen”, reageert Michel koel. De meiden doen een stapje naar achteren. De jongens lopen naar voren. Ze kijken goed in de struiken. Als ze het goed zien, springen ze een stuk naar achteren. Alle twee stotteren ze,”Het het is is een een”. De meiden kijken vragend de jongens aan. “Wat is het dan”, vraagt Patricia paniekerig. “Nou kijk zelf maar”, reageert Djoffrie verbijsterd. “Het beweegt toch niet meer”. De meiden lopen voorzichtig naar de plek waar de jongens net weg deinsden. Ze kijken, maar tot hun grote verbazing zien ze helemaal niets meer. “Het is weg”, gillen de meiden. De jongens kijken op. “Hoezo? Dat kan niet”. Ze lopen er weer op af. “Het is echt weg”, brult Djoffrie,”Hoe kan dat? Wat was het dan?”, schreeuwt Patricia paniekerig. De jongens kijken elkaar aan. Ze vallen stil. Een ijzige stilte volgt. Hadden ze het wel echt gezien, moeten ze het de meiden wel zeggen. Er is hier iets vreemds gaande, maar wat.

 

Patricia valt op de grond,”Vertel nou wat het was, ik kan niet tegen deze spanning. Als het echt ernstig is, dan moet ik het weten”. De jongens hebben het zelf ook erg benauwd. “Nou, je moet weten”, stamelt Michel,”Het is abnormaal en het kan niet, dus we kunnen beter dit voorval zo snel mogelijk vergeten. Daar is Patricia het absoluut niet mee eens. “Vertel”, commandeert ze nu op een bitcherige toon. “Ik wil het nu weten, anders ga ik hier niet meer weg”. “We moeten hier juist zo snel mogelijk weg”, bemoeit Djoffrie zich ermee. “Het is hier nu gevaarlijk”. “Vertel het dan”, bestelt Patricia drammerig. “Ach, misschien is het beter dat wij het niet weten”, merkt Stefanie intussen op, “laten we hier gewoon weggaan”. Zo gaat het een tijdje heen en weer. Tot er eindelijk besloten wordt om het water in te gaan. Als ze op een veilige afstand zijn, dan zullen de jongens vertellen wat ze denken gezien hebben. Patricia kan zich er nog niet echt bij neerleggen, maar doet het maar om verder gezeur te voorkomen. Als ze zich omdraaien naar het water, blijven ze allen verstijfd staan. Voor hun staat een gedaante. De jongens beginnen weer te stotteren. Maar de meiden zetten  het op een gillen. Een bleek mansfiguur met uitgepuilde ogen, gaten in zijn arm en nek staat doods naar ze te staren. Zijn mond gaat open. Er vallen bloeddruppels uit. Hij slaat een kreet van “Help me”. Maar ze staan zo verstijfd van schrik dat als ze weer bij hun positieven komen, ze maar één ding willen. Maken dat ze weg komen. Het water in, weg zwemmen van dit pratende lijk. Het wezen keert zich om, hij roept nog eens “Help me”. Zijn hand valt in één keer op de grond. Patricia, die alles ziet, begint haast te kotsen. “Wat was dat voor gedrocht”, gilt ze in het water. “Wisten wij dat maar”, reageert Djoffrie paniekerig terug.

 

 Wordt vervolgd